Citaat | Parket bij de Hoge Raad 25 maart 2003

Alinea 36 Parket bij de Hoge Raad 25 maart 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 25 maart 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF5388.

9. Het hof heeft, gelet op het voorgaande, kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat de mogelijkheid dat [slachtoffer 1] op een andere wijze om het leven zou zijn gekomen dan door een jegens haar door verzoeker opzettelijk gepleegde gewelddaad zo onwaarschijnlijk is, dat daarmee geen rekening behoefde te worden gehouden bij de beantwoording van de vraag of kan worden bewezenverklaard dat verzoeker opzettelijk heeft gehandeld. De pleitnota in hoger beroep bevat in die richting overigens geen suggesties. In het stropersarrest (HR 30 januari 2001, NJ 2001, 242) heeft Uw Raad nog eens aangegeven dat onwaarschijnlijke scenario's niet tot een expliciete beantwoording verplichten. Hoewel de bewijsconstructie noodgedwongen vele vragen onbeantwoord laat, kan uit het gebezigde bewijsmateriaal worden afgeleid dat verzoeker opzettelijk jegens [slachtoffer 1] een handeling heeft verricht die haar het leven heeft benomen. Het middel miskent dat voor een ruimere toetsing, namelijk niet alleen óf de bewezenverklaring uit de bewijsmiddelen kan volgen, maar ook of dat met voldoende mate van zekerheid kan, in cassatie geen plaats is. Op dit punt is immers de feitenrechter souverein.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/86de6f89b6ddee119221a1962810a04bc7e480e01494796acdfc19e0cabb4b0a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 86de6f89b6ddee119221a1962810a04bc7e480e01494796acdfc19e0cabb4b0a, en de alinea staat in dat document op bytes 16539 tot 17741.