Citaat | Parket bij de Hoge Raad 6 mei 2003

Alinea 23 Parket bij de Hoge Raad 6 mei 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 6 mei 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF5408.

10. Redenerend langs deze lijnen lijkt mij dat in deze zaak is voldaan aan de door het BGH gestelde voorwaarden voor toelaatbaarheid van een verzoek aan een deel van het publiek om de zittingszaal te verlaten. In beginsel staat artikel 269, eerste lid, Sv immers toe dat de persoonlijke omstandigheden van de verdachte aanleiding kunnen geven tot het sluiten der deuren, als een uitzondering op de in artikel 4 Wet RO en artikel 121 Grondwet voorgeschreven openbaarheid van de zitting, zij het dat de motivering "om de verdachte enige persoonlijke vragen te stellen" onvoldoende de gewichtige redenen aangeeft die 4 Wet RO eist (HR NJ 1959, 149; opmerking verdient dat het oude art. 273 Sv niet de persoonlijke levenssfeer van de verdachte als grond voor sluiting der deuren bevatte). Verder blijkt uit het proces-verbaal van de zitting in voldoende mate dat het om een niet verplichtend verzoek ging en dat dit ook op degenen tot wie het was gericht als zodanig is overgekomen. Dezen hebben immers aan het verzoek "gevolg gegeven". Uit het proces-verbaal blijkt voorts niets waaruit zou moeten worden afgeleid dat het verzoek door degenen tot wie het was gericht als een voorbode van een bevel tot sluiting der deuren zou kunnen zijn opgevat.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/be31b8638ecef4aee23e4db4513ff1f9b1d72d897b68d10d0e373ed0ffa1eb53. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt be31b8638ecef4aee23e4db4513ff1f9b1d72d897b68d10d0e373ed0ffa1eb53, en de alinea staat in dat document op bytes 10884 tot 12141.