Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2003
Alinea 102 Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2003
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF5456.
4.5.2 Dit onderdeel van het middel richt zich met name tegen de door het Hof onder 6.1.6.1 tot en met 6.1.6.5 gegeven overwegingen, zoals hiervoor weergegeven. In de kern komen die overweging erop neer dat de besloten gesprekken niet wettelijk geregeld zijn; dat deze gesprekken een informeel karakter hebben en plaatsvinden op basis van vrijwilligheid; dat het stellen van vragen evenwel zijn legitimatie vindt in het informatierecht dat ieder lid van de Staten-Generaal op grond van zijn functie heeft; dat het houden van besloten gesprekken niet in strijd is met de WPE; dat de wetgever zich bij de wijziging van de WPE in 1991(19) het bestaan en de functie van de besloten gesprekken heeft gerealiseerd, maar het niet nodig heeft geoordeeld die gesprekken van een formeel-wettelijke basis te voorzien en dat het houden van besloten gesprekken kan worden aangemerkt als het resultaat van een voortschrijdend inzicht van de elkaar opvolgende parlementaire enquêtecommissies. Het Hof heeft zijn oordeel uitvoerig gemotiveerd. Die motivering geeft naar mijn inzicht geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend. Het hof heeft zelfs nog de momenten in de wetsgeschiedenis van de WPE aangewezen waarin aan de voorgesprekken uitdrukkelijk aandacht is besteed. Het verschijnsel van de voorgesprekken is - zo blijkt daaruit - niet buiten het gezichtsveld van de wetgever gegroeid, maar juist in de volksvertegenwoordiging verwelkomd en gekoesterd. Ik merk nog op dat ook de deskundige, prof. Boon ter zitting van het Hof van 5 oktober 2001 heeft onderschreven, dat het houden van informele gesprekken zijn legitieme basis vindt in het feit dat kamerleden het recht hebben informatie in te winnen. Tijdens die informele gesprekken heeft een enquêtecommissie geen enkel dwangmiddel tot haar beschikking. Alles geschiedt op basis van vrijwilligheid met het oog op de latere behandeling. De rechtspositie van iemand die als gesprekspartner fungeert in die voorgesprekken is in tegenstelling tot wat de steller van het middel beweert niét volstrekt onhelder. Als die persoon niet wil komen, dan mag hij wegblijven. Als hij zijn mond wil houden, of bepaalde informatie niet wil meedelen, kan hij dat doen. Als hij de PEC wil voorliegen riskeert hij geen strafvervolging. Wil hij zich doen bijstaan door een advocaat dan kan dat. Wil hij vrouw en kinderen meenemen of zijn hond, dan is daarover te praten. Juist degene met wie de PEC vooraf graag wil spreken heeft alle troeven in handen. De steller van het middel spreekt ten onrechte van een voortdurende uitholling van de rechtspositie van een mogelijke 'voorgetuige', omdat diens positie juist veel sterker is dan de positie van de getuige die door de PEC in het openbaar wordt verhoord. Er is geen sprake van een niet geregelde vorm van waarheidsvinding; de feitenvaststellingen aan de hand van verklaringen van getuigen en deskundigen geschieden immers in het deel van het onderzoek waarin de verhoren worden gehouden. Of wil de steller van het middel de leden van een PEC ook het recht ontzeggen een boek te lezen over de materie waarmee zij bezig zijn, naar een radioprogramma daarover te luisteren, omdat de WPE deze wijze van waarheidsvinding niet heeft geregeld?
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/574fd5ef874958b651ead2389309322111a909441ee6a3fe2a98900ef2738b04. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 574fd5ef874958b651ead2389309322111a909441ee6a3fe2a98900ef2738b04, en de alinea staat in dat document op bytes 58935 tot 62178.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/574fd5ef874958b651ead2389309322111a909441ee6a3fe2a98900ef2738b04 | shasum -a 256