Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2003

Alinea 113 Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF5456.

4.6.4 Het Hof heeft zich vervolgens de vraag gesteld of de afweging van de PEC en het daaruit voortvloeiende besluit om aangifte te doen rechtmatig is geweest. Daartoe heeft het Hof overwogen hetgeen onder 6.1.6.13 tot en met 6.1.6.17 in het arrest is opgenomen. De kern daarvan is dat het Hof, gelet op het grote belang dat de wetgever hecht aan een strafrechtelijk onderzoek terzake van een ten overstaan van een PEC gepleegde meineed, op het besloten gesprek de artikelen 24 en 25 van de WPE van overeenkomstige toepassing acht. Dat betekent dat in een besloten gesprek verkregen informatie, behalve in het geval van meineed, nooit als bewijs in rechte kan gelden, niet tegen de getuige en niet tegen een derde. Het Hof acht het dan ook te billijken dat de PEC, nadat een vermoeden van meineed was gerezen, daarvan aangifte heeft gedaan en daarbij de verklaring van [betrokkene 1] die hij in het besloten gesprek had afgelegd heeft gebruikt. Voor wat betreft het gebruik van de persoonsgegevens van [betrokkene 1] acht het Hof het van belang dat het openbaar ministerie ook al uit andere bron, te weten het Fort-onderzoek gegevens had over de getuige [betrokkene 1] en het zogenaamde 'saptraject'. Het Hof benadrukt nog dat het beter was geweest als de getuige [betrokkene 1] voor het besloten gesprek in zijn algemeenheid zou zijn medegedeeld dat hij er niet zonder meer vanuit mocht gaan dat geheimhouding zou worden betracht ingeval tijdens een openbaar of besloten verhoor een verdenking van meineed zou ontstaan, maar dat gelet op het belang van een strafrechtelijk onderzoek, van een als onrechtmatig te kwalificeren optreden van de PEC geen sprake is. Het Hof overweegt verder dat het enkele opnemen van de persoonsgegevens in combinatie met de door [betrokkene 1] verstrekte informatie, op zichzelf geen gevaar voor de persoonlijke levenssfeer en de veiligheid van hem en zijn gezin behoeft op te leveren. Van openbaarmaking van die gegevens is geen sprake geweest. De PEC mocht er vanuit gaan dat de wettelijke regeling van het strafproces voldoende waarborgen zou bieden om de identiteit van [betrokkene 1] geheim te houden. Voorts is het openbaar ministerie naar het oordeel van het Hof discreet met de door de PEC verschafte informatie omgegaan. Het Hof overweegt tot slot dat voor een geslaagd beroep op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie aan een aantal voorwaarden moet zijn voldaan(21), en dat in casu aan geen van die voorwaarden is voldaan.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/574fd5ef874958b651ead2389309322111a909441ee6a3fe2a98900ef2738b04. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 574fd5ef874958b651ead2389309322111a909441ee6a3fe2a98900ef2738b04, en de alinea staat in dat document op bytes 70057 tot 72548.