Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2003
Alinea 114 Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2003
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF5456.
4.6.5 De steller van het middel komt op tegen het oordeel van het Hof dat de artikel 24 en 25 van de WPE wel van overeenkomstige toepassing zijn op het besloten gesprek. Dat zou niet zijn te rijmen met de eerdere overweging van het Hof dat de informele gesprekken buiten het toepassingsbereik van de WPE vallen. Het Hof heeft in overweging 6.1.6.4 inderdaad aangegeven dat de regeling van verhoren in de WPE niet van toepassing is op de informele gesprekken. De kern van die opmerking van het Hof is dat de PEC ten aanzien van getuigen bij een besloten (voor)gesprek geen rechten heeft en dat die getuigen geen plichten hebben(22). De vraag wat de PEC met de informatie verkregen tijdens het besloten gesprek zou kunnen, mogen en misschien wel moeten doen is van een andere orde. Uit de aard van de gesprekken en uit de specifieke taak van de commissie vloeit mijns inziens voort dat dan aansluiting dient te worden gezocht bij WPE. De vóórgesprekken dienen immers om de PEC inzicht te verschaffen en om de getuigen en deskundigen te laten voorproeven van wat hun te wachten staat bij de officiële verhoren. Het zou dan eigenaardig zijn als de PEC de voorbereidende gesprekken niet in het perspectief van het eindresultaat, de verhoren, zou plaatsen. Vandaar dat voorbereiding en uitvoering op elkaar zijn afgestemd, zoals wel vaker gebeurt. Ook het strafrechtelijk vooronderzoek bereidt in gevallen waarin gedagvaard wordt het eindonderzoek voor. In de wereld van kunst en wetenschap is een voorstudie zonder enige lijn met latere, meer definitieve prestaties een vreemde eend in de bijt en een verspilling van tijd, geld en moeite. Het Hof is van oordeel dat op de besloten gesprekken in ieder geval (minimaal) een overeenkomstige bescherming als die de WPE biedt van toepassing is. De deskundige prof. Boon was dezelfde mening toegedaan. Overigens meen ik op grond van de wetsgeschiedenis dat de opvatting van de steller van het middel dat artikel 18a lid 3 WPE (de verplichting tot geheimhouding van wat in een besloten verhoor is gezegd) niet geacht kan worden te wijken voor artikel 24 jo. 25 van de WPE, onjuist is. De regeling van het besloten verhoor en de daaraan verbonden geheimhouding is pas in de WPE opgenomen bij wijzigingswet van 7 september 1977 (Wetsvoorstel 13837, Stb. 1977, 549). Daarvoor kende de WPE geen bepaling met betrekking tot de openbaarheid dan wel beslotenheid van een verhoor. In de tot dan toe gehouden parlementaire enquêtes was het gebruik dat de verhoren in besloten zittingen werden afgenomen(23). De artikelen 24 en 25 WPE maken echter al deel uit van de WPE vanaf de totstandkoming in 1850 en zijn, waar het betreft de mogelijkheid een verklaring in geval van meineed 'in rechte' te gebruiken, inhoudelijk nooit veranderd. Een verandering is ook nooit ter sprake geweest. Dat betekent mijns inziens dat de wetgever ook voor het besloten verhoor zoals dat na de wetswijziging van 1977 mogelijk bleef (en daarvóór gangbaar was) de artikelen 24 en 25 onverkort van toepassing achtte. Als de verhouding tussen art. 18a en de artikelen 24 en 25 WPE aldus al moet worden verstaan voor de officiële verhoren is er zeker geen grond om de voorgesprekken anders te behandelen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/574fd5ef874958b651ead2389309322111a909441ee6a3fe2a98900ef2738b04. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 574fd5ef874958b651ead2389309322111a909441ee6a3fe2a98900ef2738b04, en de alinea staat in dat document op bytes 72587 tot 75814.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/574fd5ef874958b651ead2389309322111a909441ee6a3fe2a98900ef2738b04 | shasum -a 256