Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2003
Alinea 131 Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2003
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF5456.
5.2 Vooropgesteld moet worden dat mij niet is gebleken dat een verweer van deze strekking ter zitting van het Hof is gevoerd. Uit het wel gevoerde verweer dat het nemo teneturbeginsel was geschonden, behoefde het Hof niet op te maken dat daarbij tevens ingegaan diende te worden op de vraag of de verdachte door de PEC met bijstand had moeten worden gehoord. Integendeel zou ik geneigd zijn te zeggen. Als de verdediging in feitelijke aanleg in dezelfde mate als de steller van het cassatiemiddel een nauwe band tussen het nemo-teneturbeginsel en het recht op rechtsbijstand bij de verhoren door de PEC had verondersteld had het toch voor de hand gelegen om in feitelijke aanleg dat verband te benadrukken. Nu dat niet gebeurd is was de verdediging in feitelijke aanleg kennelijk van mening dat het een geen relevant verband met het ander had. Ik wijs er ook op dat de steller van het middel niet heeft aangegeven welk nadeel het ontbreken van rechtsgeleerde bijstand tijdens de verhoren door de PEC aan verdachte in de strafzaak heeft berokkend. Waarom de procedures voor rechtbank en hof niet eerlijk zijn geweest vermeldt het middel immers niet. Doelt de steller wellicht op de totstandkoming van de verklaring door verdachte ten overstaan van de PEC afgelegd en welke verklaring door het hof als meinedig voor het bewijs is gebezigd? In dat geval geldt het volgende.Uit de bewijsmiddelen behoeft niet te volgen dat deze rechtmatig zijn verkregen(30). Pas als een rechtstreeks en ernstig vermoeden rijst dat een onrechtmatigheid is begaan mag het betreffende bewijsmiddel niet zonder meer worden gebruikt(31). Anders gezegd, de hoofdregel dat de rechtmatigheid niet behoeft te blijken vindt slechts uitzondering als het betrouwbaarheids- of rechtmatigheidsoordeel van de rechter inzake het gehanteerde bewijsmiddel, alle bijzondere omstandigheden van het geval in aanmerking genomen, niet zonder meer begrijpelijk is; een nadere motivering mag dan niet achterwege blijven(32). Waarom van zo'n uitzonderingsgeval hier sprake zou zijn legt de steller van het middel niet uit.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/574fd5ef874958b651ead2389309322111a909441ee6a3fe2a98900ef2738b04. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 574fd5ef874958b651ead2389309322111a909441ee6a3fe2a98900ef2738b04, en de alinea staat in dat document op bytes 85557 tot 87647.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/574fd5ef874958b651ead2389309322111a909441ee6a3fe2a98900ef2738b04 | shasum -a 256