Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2003

Alinea 157 Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF5456.

Bij de behandeling van het bij het voorstel van wet tot wijziging van de Wet op de Parlementaire Enquête en in verband daarmee opnemen van een bepaling in het Wetboek van Strafrecht van de leden De Kwaadsteniet, Joekes, Alders en Schutte is opneming in de WPE van een verschoningsrecht voor zover het betreft het beantwoorden van een vraag, waardoor men zichzelf aan het gevaar van een strafrechtelijke veroordeling zou blootstellen, aan de orde geweest. De indieners van het wetsvoorstel hebben zich toen daartegen uitgesproken. Zij wezen er allereerst op dat de WPE in artikel 24 bepaalt dat verklaringen voor een enquêtecommissie afgelegd, nooit als bewijs in rechte, hetzij tegen degene door wie zij zijn afgelegd, hetzij tegen derden, kunnen gelden(45). Een door [verdachte] ten overstaan van de PEC afgelegde verklaring waardoor hij zichzelf in strafrechtelijke zin zou belasten, zou derhalve nimmer tegen hem voor het bewijs kunnen zijn gebruikt. De indieners van het wetsvoorstel meenden voorts dat een enquêtecommissie, gesteld voor het dilemma dat een getuige tegenover haar aannemelijk heeft gemaakt dat het gevaar van een strafrechtelijke veroordeling dreigt, met toepassing van artikel 18a, tweede lid, WPE de vraag waarop zij een antwoord van belang acht aan de getuige kan voorleggen in een besloten verhoor. De getuige kan dus het verzoek doen om het verhoor in beslotenheid voort te zetten, indien hij van mening is dat zijn verklaring het gevaar oplevert van strafrechtelijke vervolging van hemzelf. In geval van een besloten verhoor dient immers op grond van het bepaalde in artikel 18a, tweede lid, WPE geheimhouding te worden bewaard en die geheimhouding strekt zich ook uit tot door de getuige verschafte, voor hem belastende informatie. In het geval de getuige niet aannemelijk heeft kunnen maken dat het geven van een antwoord op een hem gestelde vraag hem zou belasten, resteert hem nog de mogelijkheid op de gestelde vraag een antwoord te weigeren. De commissie zal dan hebben te beslissen of zij in haar vraag volhardt en tot het opmaken van een proces-verbaal, conform het gestelde in artikel 15, tweede lid, WPE, zal overgaan(46). Artikel 15, tweede lid, WPE bepaalt dat, wanneer een getuige weigert te antwoorden, daarvan proces-verbaal wordt opgemaakt, hetwelk de redenen van die weigering, zo die gegeven zijn, inhoudt en door de aanwezige leden van de commissie wordt ondertekend. Artikel 16, tweede lid, WPE bepaalt vervolgens dat de commissie het proces-verbaal, bedoeld in artikel 15, tweede lid, wanneer zij zulks nodig oordeelt, in handen stelt van het openbaar ministerie bij de rechtbank van het arrondissement waarin het verhoor was gelast.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/574fd5ef874958b651ead2389309322111a909441ee6a3fe2a98900ef2738b04. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 574fd5ef874958b651ead2389309322111a909441ee6a3fe2a98900ef2738b04, en de alinea staat in dat document op bytes 100251 tot 102948.