Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2003
Alinea 158 Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2003
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF5456.
Indien de PEC het verweer van [verdachte], inhoudende dat in zijn beleving toen een concrete verdenking tegen hem bestond dat hij als CID-functionaris strafbare feiten had begaan en dat hij derhalve niet gedwongen kon worden zich ten aanzien van die feiten te belasten, bij het openbare verhoor niet zou hebben gehonoreerd, zou [verdachte] hebben kunnen besluiten om te weigeren op door de PEC gestelde vragen te antwoorden. Indien [verdachte] vervolgens terzake van deze weigering strafrechtelijk zou zijn vervolgd, zou hij zich in de strafrechtelijke procedure erop hebben kunnen beroepen dat hem te dezen een verschoningsrecht toekwam althans dat hij in de gerechtvaardigde veronderstelling verkeerde dat hem dat recht toekwam, en dat de weigering derhalve niet tot een veroordeling zou behoren te leiden. Het is dus uiteindelijk de rechter die het definitieve oordeel uitspreekt over de houdbaarheid van een verschoningsrecht(47).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/574fd5ef874958b651ead2389309322111a909441ee6a3fe2a98900ef2738b04. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 574fd5ef874958b651ead2389309322111a909441ee6a3fe2a98900ef2738b04, en de alinea staat in dat document op bytes 102956 tot 103904.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/574fd5ef874958b651ead2389309322111a909441ee6a3fe2a98900ef2738b04 | shasum -a 256