Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2003
Alinea 169 Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2003
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF5456.
6.3 Voorafgaand aan de bespreking van het middel wil ik eerst nog kort ingaan op de vraag of artikel 6, eerste lid EVRM wel van toepassing is op een verhoor door een PEC. Het openbaar ministerie heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat zulks niet het geval is, omdat bij verhoren door een PEC geen sprake is van het bepalen van de gegrondheid van een tegen een verdachte ingestelde strafvervolging. In overweging 6.3.2 heeft het Hof gemotiveerd aangegeven deze rechtsopvatting niet te delen. Het Hof is met een beroep op het arrest van het EHRM in de zaak Saunders tegen het Verenigd Koninkrijk(51) van oordeel dat niet bepalend is of het verhoor van de PEC zelf zich verdraagt met het nemo teneturbeginsel, maar of het gebruik van een tijdens een verhoor door een PEC afgelegde verklaring in een later strafproces zich daarmee verdraagt. In beginsel is artikel 6 van het EVRM niet van toepassing op de werkzaamheden van een PEC. In het Saunders-arrest heeft het EHRM uitgelegd dat het onderzoek door de inspecteurs van het ministerie voor handel en industrie (DTI) niet viel onder het bereik van art. 6 lid 1 EVRM en dat het juist ging om het gebruik van de verslagen van de verhoren van Saunders verkregen in het DTI-onderzoek; deze "were used in the course of the proceedings in a manner which sought to incriminate the applicant." Even verder leert het EHRM; "The public interest cannot be invoked to justify the use of answers compulsorily obtained in a non-judicial investigation to incriminate the accused during the trial proceedings."(52) Het EHRM boog zich niet over de vraag of de DTI-procedure te rijmen was met art. 6 lid 1 EVRM, maar of het gebruik van materiaal uit die DTI-procedure in een strafproces de toets der kritiek kon doorstaan. Een onderzoek door een PEC behoeft dus niet zo te worden ingericht dat aan alle eisen die uit art. 6 EVRM voortvloeien wordt voldaan. Als maar de verplichting om onder ede de waarheid te zeggen niet nadien in een procedure waarin over de gegrondheid van een 'criminal charge' wordt beslist gaat rondwroeten in die zin dat de inhoud van dergelijke verklaringen, waarin de antwoorden liggen van de verdachte op vragen die hij naar waarheid móest beantwoorden, hem daar voor de voeten worden geworpen, waardoor het beroep op een recht om niet te behoeven te verklaren, wordt gefrustreerd. Ik vermoed dat het hof dat heeft bedoeld in 6.3.2.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/574fd5ef874958b651ead2389309322111a909441ee6a3fe2a98900ef2738b04. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 574fd5ef874958b651ead2389309322111a909441ee6a3fe2a98900ef2738b04, en de alinea staat in dat document op bytes 108872 tot 111292.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/574fd5ef874958b651ead2389309322111a909441ee6a3fe2a98900ef2738b04 | shasum -a 256