Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2003

Alinea 191 Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF5456.

6.13 Ik wijs ten overvloede nog op een ongerijmde consequentie die voortvloeit uit het betoog van de steller van het middel. De redenering die de steller van het middel volgt is immers niet beperkt tot de context van een parlementaire enquête. Een ieder, niet zijnde een verdachte in de zin van art. 27 Sv, zou onder ede in strijd met de waarheid kunnen verklaren zonder daar met kans op succes strafrechtelijk voor vervolgd te worden nu een dergelijke vervolging het nemo-teneturbeginsel zou schenden. Ook de getuige in een strafzaak die onder ede weigert een verklaring af te leggen en die zich niet op een erkend verschoningsrecht kan beroepen, zou de strafrechtelijke dans ontspringen omdat hij zich er volgens de steller van het middel op zou kunnen beroepen dat hij nooit mag worden gedwongen een verklaring af te leggen, of die nu waar is of niet. De door de steller van het middel gevolgde redenering ondermijnt derhalve het systeem van het horen van getuigen onder ede in zijn algemeenheid op een ontoelaatbare manier.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/574fd5ef874958b651ead2389309322111a909441ee6a3fe2a98900ef2738b04. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 574fd5ef874958b651ead2389309322111a909441ee6a3fe2a98900ef2738b04, en de alinea staat in dat document op bytes 124896 tot 125937.