Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2003
Alinea 195 Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2003
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF5456.
6.2.1. Het onderzoek van het Fort-team komt volgens de verdediging van [verdachte] in wezen neer op een verkapt opsporingsonderzoek en heeft de fairness van de totale procesvoering ernstig (in negatieve zin) beïnvloed. Voordat [verdachte] door de PEC werd verhoord, bestond er, zo betoogt de verdediging, een concrete verdenking terzake van bepaalde strafbare feiten. Nadat er een verdenking in het feitenonderzoek had moeten zijn gerezen, had de status van het niet-strafrechtelijk onderzoek in dezelfde vorm niet mogen worden gehandhaafd. In casu zijn de aan [verdachte] toekomende waarborgen niet in acht genomen. Doordat het openbaar ministerie - reeds tijdens het onderzoek - diverse vermoedens (in de zin van artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering) passeerde, is er geen gerechtelijk vooronderzoek gestart. Daardoor is [verdachte] niet in de gelegenheid gesteld diverse rechten uit te oefenen, zoals het zwijgrecht, het recht toen al voordat hij door de PEC werd gehoord getuigen tegenover de rechter-commissaris te ondervragen, en zich daarbij door een raadsman te doen bijstaan. Daardoor is [verdachte] op achterstand gezet want inmiddels werden wèl - met voorbijgaan aan zijn rechten - onrechtmatige onderzoeksmethoden gebezigd en allerlei belastende informatie over [verdachte] verzameld, terwijl die wel als basis heeft gediend voor het onderzoek van de PEC en direct heeft geleid tot de aangifte op basis waarvan het openbaar ministerie tot vervolging heeft besloten. Het openbaar ministerie handelde met name in strijd met het beginsel van zuiverheid van oogmerk. Bovendien werd [verdachte] door die (onrechtmatig vergaarde) informatie tijdens het verhoor door de PEC zodanig onder druk gezet dat hij - geconfronteerd met de dreiging van twee strafvervolgingen - niet meer in vrijheid kon verklaren en tegen die achtergrond een keuze heeft gemaakt die hem nu strafrechtelijk wordt verweten. Door hem nu dat verwijt te maken, wetende hoe die verklaring onder dwang tot stand is gekomen, handelt het openbaar ministerie in strijd met een behoorlijke procesorde (in het bijzonder het nemo tenetur-beginsel en het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging). Het openbaar ministerie had al tijdens het feitenonderzoek moeten ingrijpen, in elk geval van vervolging (ondanks de aangifte) moeten afzien, omdat het openbaar ministerie wist op welke wijze het onderzoek van het Fort-team 'doorwerkte' naar het onderzoek van de PEC en daarmee (tegelijkertijd) naar het strafrechtelijk onderzoek, zodat [verdachte] tijdens zijn strafzaak geen eerlijk proces meer te verwachten heeft (het meeste belastend materiaal lag immers al vast toen de PEC met haar verhoor van [verdachte] begon).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/574fd5ef874958b651ead2389309322111a909441ee6a3fe2a98900ef2738b04. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 574fd5ef874958b651ead2389309322111a909441ee6a3fe2a98900ef2738b04, en de alinea staat in dat document op bytes 126804 tot 129528.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/574fd5ef874958b651ead2389309322111a909441ee6a3fe2a98900ef2738b04 | shasum -a 256