Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2003

Alinea 224 Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF5456.

Het vorenstaande lijdt echter uitzondering in die gevallen waarin een opsporingsambtenaar (in dit geval: leden van de Rijksrecherche) iemand horen. De (ver)horende ambtenaar behoort dan voorafgaande aan het verhoor duidelijkheid te verschaffen over de status waarin betrokkene wordt gehoord. Nog daargelaten dat betrokkene in een feitenonderzoek geen enkele medewerking behoeft te verlenen, niet voor het verhoor dient te verschijnen en - ook zonder zwijgrecht - niet behoeft te verklaren, was [verdachte] als oud politieambtenaar genoegzaam op de hoogte van zijn rechtspositie als (potentiële) verdachte. Als hij ten onrechte niet als verdachte zou zijn aangemerkt en (daarom) niet op zijn zwijgrecht zou zijn gewezen, dan nog blijft een dergelijk onrechtmatig handelen zonder gevolg omdat een dergelijke verdachte geacht kan worden niet in zijn belangen te zijn geschaad(70).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/574fd5ef874958b651ead2389309322111a909441ee6a3fe2a98900ef2738b04. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 574fd5ef874958b651ead2389309322111a909441ee6a3fe2a98900ef2738b04, en de alinea staat in dat document op bytes 143778 tot 144669.