Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2003

Alinea 255 Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF5456.

Het hof is - vanuit die conclusie ten overvloede - van oordeel dat uit de onder 6.4.2.2 weergegeven omstandigheden waaronder de bandopnameapparatuur werd gebruikt aannemelijk is geworden dat dit gebruik - door [betrokkene 1], die het geheel in zijn macht had de apparatuur al dan niet in te schakelen en de bandjes na het gesprek ter beschikking van de Rijksrecherche te stellen - in overwegende mate was ingegeven door de behoefte van [betrokkene 1] om zijn relaas over het 'saptraject' onderbouwd te krijgen en aldus geloofd te worden. Daarom kan niet worden gezegd dat bij deze registratie sprake was van inmenging door de overheid(78). Zulks wordt niet anders doordat van de kant van de Rijksrecherche suggesties zijn gedaan met betrekking tot aan de orde te stellen onderwerpen die zíj van belang achtte en die daarmee dus ook voor [betrokkene 1], gelet op zijn wens (geheel) geloofd te worden, van belang waren.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/574fd5ef874958b651ead2389309322111a909441ee6a3fe2a98900ef2738b04. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 574fd5ef874958b651ead2389309322111a909441ee6a3fe2a98900ef2738b04, en de alinea staat in dat document op bytes 164962 tot 165894.