Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2003

Alinea 305 Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF5456.

6.5.4.3. Het hof vermag tenslotte evenmin in te zien, welke rechtsregel zich ertegen verzet dat verklaringen en documenten die langs reguliere weg in het kader van het feitenonderzoek zijn verworven, in het latere strafrechtelijke onderzoek worden ingebracht. Voor wat de documenten betreft voorziet artikel 134 van het Wetboek van Strafvordering erin dat opsporingsambtenaren voorwerpen die zij reeds uit anderen hoofde onder zich hebben, ten behoeve van de strafvordering gaan houden en daartoe in beslag nemen(88). Naar 's hofs oordeel lag het niet in de rede [verdachte], die immers niet degene was door wie deze stukken aan de Rijksrecherche ter hand waren gesteld en dus niet als belanghebbende in de zin van artikel 552a in verbinding met artikel 116 van het Wetboek van Strafvordering kan worden aangemerkt, van dat gaan houden ten behoeve van de strafvordering tégen hem, (terstond) op de hoogte te stellen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/574fd5ef874958b651ead2389309322111a909441ee6a3fe2a98900ef2738b04. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 574fd5ef874958b651ead2389309322111a909441ee6a3fe2a98900ef2738b04, en de alinea staat in dat document op bytes 192919 tot 193849.