Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2003

Alinea 314 Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF5456.

In een meineedproces gaat het om de waarheidsvinding. Heeft de verdachte als getuige onder ede al dan niet in strijd met de waarheid een verklaring afgelegd? Een fundamenteel kenmerk van een eerlijk proces is dat de verdachte alle gelegenheid krijgt om belastend bewijsmateriaal te bestrijden en ontlastend materiaal aan te dragen. [Verdachte] is gedurende een viertal terechtzittingen van het hof in de gelegenheid geweest de getuige [betrokkene 1] te ondervragen en het schriftelijk bewijs te bestrijden. Er is een transcriptie gemaakt van door hem in het geding gebrachte minicassettebandjes waarop op initiatief van [verdachte] opgenomen gesprekken tussen [verdachte] en [betrokkene 1] over de door laatstgenoemde afgelegde en voor [verdachte] belastende verklaringen zijn vastgelegd. Hij is ook in de gelegenheid gesteld om [betrokkene 1] als getuige over de inhoud van die gesprekken te ondervragen. Binnen de door het hof als redelijk aangemerkte grenzen is voorts onderzocht of in het archief van het Fort-team zich voor [verdachte] ontlastend materiaal bevond; daarbij heeft de verdediging de gelegenheid gehad de onderzoeker, mr. Cremers, te bevragen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/574fd5ef874958b651ead2389309322111a909441ee6a3fe2a98900ef2738b04. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 574fd5ef874958b651ead2389309322111a909441ee6a3fe2a98900ef2738b04, en de alinea staat in dat document op bytes 197462 tot 198637.