Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2003
Alinea 370 Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2003
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF5456.
16.2 Het middel mist feitelijke grondslag. Uit bewijsmiddelen 9.17 en 9.18a blijkt dat verdachte beschikte over het openbaar gemaakte rapport van het Fort-team. Verdachte wist dus ten tijde van zijn uitlatingen in de richting van [betrokkene 1] dat het feitenonderzoek was afgerond. De getuige Coenen heeft ter zitting van het Hof van 22 november 2001 verklaard dat tijdens de persconferentie van de PEC is medegedeeld dat terzake van meineed aangifte was gedaan en dat toen ook de namen [medeverdachte] en [verdachte] zijn vermeld. Die aangifte dateert van 1 februari 1996. Op grond hiervan kan worden aangenomen dat verdachte in het voorjaar van 1996 op de hoogte was van de aangifte van de PEC. Dat verdachte terdege rekening hield met een strafvervolging blijkt ook uit zijn uitlatingen richting [betrokkene 1], waar hij spreekt over het feit dat hij en [medeverdachte] mogelijk in de gevangenis zouden belanden. Verdachte wist ongetwijfeld dat in het kader van een feitenonderzoek geen gevangenisstraf kan worden opgelegd.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/574fd5ef874958b651ead2389309322111a909441ee6a3fe2a98900ef2738b04. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 574fd5ef874958b651ead2389309322111a909441ee6a3fe2a98900ef2738b04, en de alinea staat in dat document op bytes 223444 tot 224485.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/574fd5ef874958b651ead2389309322111a909441ee6a3fe2a98900ef2738b04 | shasum -a 256