Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2003

Alinea 63 Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF5456.

6.1.6.12. Het hof acht, gezien de verklaring van de getuige De Graaf ter terechtzitting in hoger beroep van 5 oktober 2001 (blz. 8), aannemelijk dat de PEC zich verplicht voelde om aangifte te doen van meineed en dat de PEC, ook als [betrokkene 1] daarvoor geen toestemming zou hebben gegeven, diens naam in de aangifte zou hebben opgenomen. De PEC heeft derhalve bij het doen van aangifte aan het belang van een strafrechtelijk onderzoek naar de vermoede meinedige verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte] doorslaggevende betekenis toegekend. Voor wat betreft het daaraan ondergeschikt gemaakte belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de veiligheid van [betrokkene 1] en diens gezin ging in ieder geval de getuige De Graaf ervan uit dat het doen van aangifte geen vorm van openbaarmaking was en dat de naam van [betrokkene 1] allang bij het openbaar ministerie bekend was, zodat er geen aanleiding was een gefingeerde naam te gebruiken.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/574fd5ef874958b651ead2389309322111a909441ee6a3fe2a98900ef2738b04. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 574fd5ef874958b651ead2389309322111a909441ee6a3fe2a98900ef2738b04, en de alinea staat in dat document op bytes 35770 tot 36748.