Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2003

Alinea 66 Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF5456.

Artikel 25, eerste lid, WPE bedreigt met straf het voordragen als getuige van een onder ede afgelegde verklaring tegen de waarheid. Artikel 24 WPE bepaalt dat, behalve ingeval van artikel 25, nimmer verklaringen voor een commissie als bewijs in rechte gelden, hetzij tegen degene door wie zij zijn afgelegd hetzij tegen derden. In het door artikel 25 WPE beoogde geval kunnen verklaringen ten overstaan van de PEC afgelegd dus als bewijs in rechte gelden. Artikel 25 WPE heeft daarbij het oog zowel op de meinedige verklaring zelf als op de verklaringen die nodig zijn voor het bewijs van de meinedigheid van die verklaring. In artikel 25 WPE wordt voorts geen onderscheid gemaakt tussen verklaringen die tijdens een openbaar verhoor en verklaringen die tijdens een besloten verhoor zijn afgelegd. De geheimhoudingsverplichting als bedoeld in artikel 18a, derde lid, WPE geldt dus niet in geval van toepassing van artikel 25 WPE. Een andere uitkomst zou immers artikel 25 WPE in geval van een besloten verhoor tot een zinloze bepaling maken. Alsdan zouden immers noch de meinedige verklaring zelf noch de verklaringen die nodig zijn voor het bewijs van de meinedigheid van die verklaring in de aangifte kunnen worden opgenomen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/574fd5ef874958b651ead2389309322111a909441ee6a3fe2a98900ef2738b04. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 574fd5ef874958b651ead2389309322111a909441ee6a3fe2a98900ef2738b04, en de alinea staat in dat document op bytes 37010 tot 38251.