Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2003

Alinea 70 Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF5456.

6.1.6.14. Nu de openbare verhoren van [verdachte] en [medeverdachte] aanstaande waren en er een gerede kans bestond dat zij bij hun eerder in het feitenonderzoek en bij de besloten gesprekken ten overstaan van de PEC afgelegde verklaringen zouden blijven, moet het voor de PEC duidelijk zijn geweest dat, als [verdachte] en [medeverdachte] tijdens de openbare verhoren de reeds door hen afgelegde verklaringen zouden bevestigen, een verdenking terzake van meineed zou kunnen ontstaan en bij het opmaken van een proces-verbaal van meineed de persoonsgegevens van [betrokkene 1] niet zouden kunnen worden gemist. Daar staat tegenover dat de PEC jegens [verdachte] en [medeverdachte] blijk zou hebben gegeven van vooringenomenheid, indien zij [betrokkene 1] vooraf erop zou hebben geattendeerd dat, als [verdachte] en [medeverdachte] de door hen afgelegde verklaringen zouden bevestigen, mogelijk jegens hen aangifte van meineed zou worden gedaan. Het valt mitsdien te billijken dat de PEC tijdens het besloten gesprek van [betrokkene 1] ervan heeft afgezien [betrokkene 1] zelf te informeren hoe eventueel met zijn persoonsgegeven en de door hem verstrekte informatie zou kunnen worden omgegaan indien [verdachte] en [medeverdachte] bij de door hen afgelegde verklaringen tijdens de openbare verhoren zouden persisteren.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/574fd5ef874958b651ead2389309322111a909441ee6a3fe2a98900ef2738b04. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 574fd5ef874958b651ead2389309322111a909441ee6a3fe2a98900ef2738b04, en de alinea staat in dat document op bytes 40197 tot 41528.