Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2003

Alinea 88 Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF5456.

4.4.1 Het eerste onderdeel richt zich tegen het oordeel van het Hof dat niet aannemelijk is geworden dat tijdens het feitenonderzoek (Fort) door de Rijksrecherche aan de getuige [betrokkene 1] een uitdrukkelijke ongeclausuleerde toezegging tot (absolute) geheimhouding is gedaan en dat het optreden van de opsporingsambtenaren op dat punt rechtmatig is geweest. Dat oordeel zou onbegrijpelijk zijn. Verder zou 's Hofs oordeel dat de Rijksrecherche op grond van artikel 3 van de Wet op de Parlementaire Enquête (PWE) zelfs verplicht was de PEC inzage te verschaffen in de verklaringen van [betrokkene 1] zoals afgelegd in het feitenonderzoek (Fort) van een onjuiste rechtsopvatting getuigen (punt 2 tot en met 10 van de schriftuur).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/574fd5ef874958b651ead2389309322111a909441ee6a3fe2a98900ef2738b04. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 574fd5ef874958b651ead2389309322111a909441ee6a3fe2a98900ef2738b04, en de alinea staat in dat document op bytes 49397 tot 50142.