Citaat | Parket bij de Hoge Raad 13 juni 2003

Alinea 44 Parket bij de Hoge Raad 13 juni 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 13 juni 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF5529.

'3.2 (...) dat - in de woorden van HR 8 januari 1965, NJ 1965, 162 - "de aard van het kort geding meebrengt dat de rechter, indien hij van oordeel is, dat hij binnen het kader ener behandeling in kort geding zich het voor het geven van een verantwoorde beslissing vereiste inzicht in de zaak niet kan verschaffen of de gevolgen van een door hem te geven beslissing niet voldoende kan overzien, de vrijheid moet hebben op die grond de gevraagde voorziening te weigeren, ook al had de wederpartij van de aanlegger daarop geen beroep gedaan" en dat deze bevoegdheid mede toekomt aan de appelrechter in kort geding, óók indien niet een grief ervan is gemaakt dat de voorziening op bedoelde grond had moeten worden geweigerd. Aan deze opvatting moet worden vastgehouden: al brengen hedendaagse rechtsopvattingen mee dat de kort-gedingrechter van deze bevoegdheid terughoudend gebruik behoort te maken, hem moet de vrijheid worden gegeven om, wanneer hij tot de slotsom moet komen dat "de zaak niet vatbaar is om in kort geding genoegzaam te worden toegelicht", de gevraagde voorziening te weigeren. (...)

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/6a130abd60fe6eee715cfbeff4805fc77a61cb5e02108e26418b54b90dd229be. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 6a130abd60fe6eee715cfbeff4805fc77a61cb5e02108e26418b54b90dd229be, en de alinea staat in dat document op bytes 17388 tot 18502.