Citaat | Parket bij de Hoge Raad 18 april 2003

Alinea 33 Parket bij de Hoge Raad 18 april 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 18 april 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF5555.

3.2. Een t.b.s. en een (voorlopige) machtiging op grond van de Wet Bopz zijn, naar hun aard, verschillende grootheden. Art. 37a, eerste lid, Sr bepaalt dat de verdachte bij wie tijdens het begaan van het strafbare feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, op last van de rechter ter beschikking kan worden gesteld mits (i) het strafbare feit behoort tot de categorieën, genoemd in het eerste lid onder 1° en (ii) de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van die maatregel eist. Het vierde lid voegt hieraan toe dat de rechter bij de beslissing over het opleggen van een t.b.s. onder meer "de ernst van het begane feit of de veelvuldigheid van voorafgegane veroordelingen wegens misdrijf" in aanmerking neemt. Reeds uit deze wettelijke omschrijving volgt dat een nauw verband bestaat tussen het strafbare feit en het opleggen van de t.b.s. Voor een rechterlijke machtiging op grond van de Wet Bopz is ook "gevaar" vereist (zie art. 2 lid 2 in verbinding met art. 1 lid 1 onder f Wet Bopz), maar ontbreekt de koppeling aan een strafbaar feit.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/6bf74b7da729247977c1e5a68d0c95b77affeb513c2e589815c2af3dac0abb6e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 6bf74b7da729247977c1e5a68d0c95b77affeb513c2e589815c2af3dac0abb6e, en de alinea staat in dat document op bytes 14204 tot 15358.