Citaat | Parket bij de Hoge Raad 18 april 2003

Alinea 48 Parket bij de Hoge Raad 18 april 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 18 april 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF5555.

3.7. In HR 20 november 1998, NJ 1999, 174, was een geval aan de orde waarin de officier van justitie, door nu niet ter zake doende omstandigheden, de termijn voor het vorderen van een verlenging van een t.b.s. had laten verlopen en alsnog een voorlopige machtiging vorderde op grond van de Wet Bopz. In cassatie werd aangevoerd dat zulk een vordering misbruik van bevoegdheid oplevert. De Hoge Raad beantwoordde die vraag ontkennend. In rov. 3.2.3 werd overwogen dat de doelstelling van een t.b.s. met verpleging en die van een voorlopige machtiging op grond van de Wet Bopz in zoverre overeenstemmen "dat beide maatregelen opgelegd kunnen worden ter bescherming van de samenleving tegen personen die door stoornis van hun geestvermogens (Wet BOPZ) respectievelijk gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van hun geestvermogens (art. 37a lid 1 Sr.) een gevaar opleveren voor anderen of voor de algemene veiligheid van personen." Deze beschikking geeft geen antwoord op het thans voorliggende vraagstuk. In HR 20 november 1998 was immers geen sprake van samenloop: de t.b.s. was door het verstrijken van de termijn beëindigd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/6bf74b7da729247977c1e5a68d0c95b77affeb513c2e589815c2af3dac0abb6e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 6bf74b7da729247977c1e5a68d0c95b77affeb513c2e589815c2af3dac0abb6e, en de alinea staat in dat document op bytes 23023 tot 24168.