Citaat | Parket bij de Hoge Raad 18 april 2003
Alinea 51 Parket bij de Hoge Raad 18 april 2003
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 18 april 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF5555.
3.10. Indien en voor zover voorlopige machtiging niet samenvalt met de tenuitvoerlegging van een t.b.s. met verpleging, zie ik geen bezwaar tegen het geven van een voorlopige machtiging. Wanneer de beëindiging van een t.b.s. met verpleging ophanden is, kan behoefte bestaan aan een direct aansluitende voorlopige machtiging. De Bopz-rechter kan in zo'n geval, vooruitlopend op de beëindiging van de t.b.s., een voorlopige machtiging verlenen. Overigens is deze mogelijkheid in de tijd beperkt omdat een voorlopige machtiging niet meer ten uitvoer kan worden gelegd wanneer méér dan twee weken na haar dagtekening zijn verlopen (art. 10 lid 1 Wet Bopz). Juridisch-technisch is de vormgeving lastig, omdat een voorlopige machtiging terstond ingaat en bij voorraad uitvoerbaar is. Ik houd het voor mogelijk dat de Bopz-rechter in zo'n geval zijn beslissing aan de voorwaarde bindt dat de machtiging niet zal worden tenuitvoergelegd zolang ten aanzien van de betrokkene een t.b.s. van kracht is(15).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/6bf74b7da729247977c1e5a68d0c95b77affeb513c2e589815c2af3dac0abb6e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 6bf74b7da729247977c1e5a68d0c95b77affeb513c2e589815c2af3dac0abb6e, en de alinea staat in dat document op bytes 26563 tot 27576.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/6bf74b7da729247977c1e5a68d0c95b77affeb513c2e589815c2af3dac0abb6e | shasum -a 256