Citaat | Parket bij de Hoge Raad 18 april 2003

Alinea 56 Parket bij de Hoge Raad 18 april 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 18 april 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF5555.

3.15. De rechtbank verwijst naar het ultimum remedium-karakter van een voorlopige machtiging. Blijkens de parlementaire geschiedenis van de Wet Bopz mag de rechter een voorlopige machtiging slechts verlenen indien hij ervan overtuigd is dat met een minder vergaande vorm van hulpverlening niet kan worden volstaan(18). Een dergelijke maatstaf ligt voor de hand: indien de betrokkene de nodige bereidheid vertoont voor een vrijwillige opneming en zulk een opneming kan worden gerealiseerd, is een gedwongen opneming niet nodig om het gevaar af te wenden. Een gedwongen opneming behoort ook uit te blijven wanneer extramurale hulpverlening voldoende is om het gevaar af te wenden. Hieruit volgt echter niet het bestaan van een rechtsregel die inhoudt dat, bij keuze tussen een Bopz-machtiging en (een verlenging van) een t.b.s., steeds de voor de betrokkene minst ingrijpende maatregel dient te prevaleren.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/6bf74b7da729247977c1e5a68d0c95b77affeb513c2e589815c2af3dac0abb6e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 6bf74b7da729247977c1e5a68d0c95b77affeb513c2e589815c2af3dac0abb6e, en de alinea staat in dat document op bytes 31460 tot 32378.