Citaat | Parket bij de Hoge Raad 16 september 2003
Alinea 43 Parket bij de Hoge Raad 16 september 2003
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 16 september 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF5690.
18. Ik zou denken dat met name op dat laatste punt het beroep op het civiele vonnis van de Rechtbank aangrijpt. Immers, als een Rechtbank, ook al is dat in een civiele zaak, op grond van feiten en omstandigheden - die kennelijk niet wezenlijk anders liggen dan in de onderhavige strafzaak - oordeelt dat de verdachte heeft mogen afgaan op de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid van [E], dan kan toch moeilijk worden gezegd dat verdachtes dwaling in het licht van de oorspronkelijke opdracht van BHW zo onwaarschijnlijk is dat deze bij het bewijs buiten beschouwing kan blijven. Nu kan hier wel tegenin worden gebracht dat de dwaling van de notaris in de civiele procedure niet ter discussie is gesteld - dat verklaart wellicht ook waarom BHW zijn vordering niet mede op het veel hechtere, want niet door een beroep op opgewekte schijn te ondergraven fundament van verduistering als onrechtmatige daad heeft gebaseerd - , maar om daarmee het civiele vonnis meteen als irrelevant ter zijde te stellen gaat mijns inziens te ver. Hier valt toch op zijn minst iets uit te leggen. Verdachten kunnen immers zelden een beroep doen op een voor hen gunstige rechterlijke uitspraak.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/3597749e5c5b3b06f18e0634a117130bfb3e14b93360733931a2db0e71c33d15. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 3597749e5c5b3b06f18e0634a117130bfb3e14b93360733931a2db0e71c33d15, en de alinea staat in dat document op bytes 26285 tot 27475.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/3597749e5c5b3b06f18e0634a117130bfb3e14b93360733931a2db0e71c33d15 | shasum -a 256