Citaat | Parket bij de Hoge Raad 16 september 2003

Alinea 44 Parket bij de Hoge Raad 16 september 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 16 september 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF5690.

19. Ook anderszins meen ik dat verdachtes verweer uitdrukkelijke weerlegging behoeft. In zijn algemeenheid noopt de omstandigheid dat in een civiele zaak een uitspraak is gedaan die niet of nauwelijks verenigbaar is met het oordeel in een strafzaak, de rechter in een strafzaak niet in zijn vonnis of arrest op de uitspraak van de civiele rechter in te gaan. De uitkomst van een civiel proces is immers in overwegende mate afhankelijk van hetgeen partijen over en weer hebben gesteld en hetgeen zij ter onderbouwing van hun stellingen aan bewijsmateriaal aan de rechter voorleggen. In het onderhavige geval ligt dat in mijn ogen echter anders, omdat de bewezenverklaring wel heel erg ver - op het eerste gezicht onverklaarbaar ver - verwijderd ligt van het vonnis van de Rechtbank: terwijl de Rechtbank oordeelt dat verdachte, zij het in de relatie tot BHW, mocht vertrouwen op de door BHW opgewekte schijn, impliceert de bewezenverklaring niet alleen dat verdachte dat vertrouwen niet heeft mogen hebben, maar ook dat hij minst genomen zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijk kans dat hij onbevoegd, dus wederrechtelijk over de gelden van BHW beschikte. De bewezenverklaring gaat dus verder dan louter een ander oordeel over de vraag of verdachte had mogen vertrouwen op de door BHW opgewekte schijn.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/3597749e5c5b3b06f18e0634a117130bfb3e14b93360733931a2db0e71c33d15. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 3597749e5c5b3b06f18e0634a117130bfb3e14b93360733931a2db0e71c33d15, en de alinea staat in dat document op bytes 27495 tot 28832.