Citaat | Parket bij de Hoge Raad 3 juni 2003
Alinea 19 Parket bij de Hoge Raad 3 juni 2003
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 3 juni 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF5700.
11. Hoewel een rechter in beginsel niet hoeft in te gaan op niet ter terechtzitting gevoerde verweren, meen ik dat het Hof in het onderhavige geval niet aan de inhoud van de brief had mogen voorbijgaan. De bijsluiter, die aan de dagvaarding in hoger beroep is gehecht, staat kennelijk volgens het Hof niet aan de geldigheid van de dagvaarding in hoger beroep in de weg en is voor het Hof geen reden geweest de behandeling te schorsen en verdachte opnieuw op te roepen. Dat wekt verbazing. Deze bijsluiter bevat immers ten dele onjuiste -met name ten aanzien van verdachtes beslissing om al dan niet te verschijnen essentiële - informatie: het vorderen van niet-ontvankelijkheid betekent niet dat het vonnis waarvan beroep in stand blijft. De vermelding dat het Hof anders kan oordelen doet aan deze onjuistheid niet af. Om deze laatste mededeling - na twee ontmoedigende mededelingen : U hoeft niet te komen, het vonnis blijft in stand - op waarde te kunnen schatten moet men immers over meer inzicht in het strafproces beschikken dan van een burger kan worden verlangd(2). Ook anderszins meen ik dat de tekst van de bijsluiter een zware wissel trekt op de geldigheid van de dagvaarding dan wel op de impliciete beslissing van het Hof de zaak niet aan te houden om verdachte opnieuw op te roepen. In de bijsluiter wordt immers het advies gegeven niet te komen omdat verschijnen ter zitting toch geen zin heeft. Een dergelijk advies is mijns inziens niet geoorloofd omdat het vooruitloopt op de beslissing van de rechter. Voorts bestaat het gevaar dat een dergelijk advies over verdachtes proceshouding afbreuk doet aan een fair proces (art. 6 lid 1 EVRM) omdat het afkomstig is van het Openbaar Ministerie in zijn hoedanigheid van de overheid vertegenwoordigende procespartij. Bovendien is in het onderhavige geval het advies naar aan de stukken van het dossier valt te zien notoir onjuist. De brief van verdachtes raadsvrouw doet toch bepaald verwachten dat verdachte een beroep zal willen doen op de verontschuldigbaarheid van de overschrijding van de termijn voor hoger beroep. Zo de tekst van de bijsluiter de dagvaarding in hoger beroep al niet nietig maakt of het Hof - zoals ik zou willen verdedigen - niet al noopte tot aanhouden van de zaak en opnieuw oproepen van verdachte, wekt deze toch minstgenomen het vermoeden dat de rechter alle gegevens die in het dossier met betrekking tot de ontvankelijkheid voor handen zijn beschouwt en daarvan in zijn arrest zal laten blijken.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e7af756d352499db4250b721ce62e9b448362072737330ff5fbbdc6dd23d013b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e7af756d352499db4250b721ce62e9b448362072737330ff5fbbdc6dd23d013b, en de alinea staat in dat document op bytes 9124 tot 11623.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/e7af756d352499db4250b721ce62e9b448362072737330ff5fbbdc6dd23d013b | shasum -a 256