Citaat | Parket bij de Hoge Raad 13 mei 2003
Alinea 34 Parket bij de Hoge Raad 13 mei 2003
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 13 mei 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF5705.
21. Indien tijdens het tappen van telefoongesprekken het vermoeden rijst dat anderen dan de verdachten zich aan strafbare feiten hebben schuldig gemaakt, kan in onderzoek tegen die anderen van die bij het tappen verkregen gegevens gebruik worden gemaakt (zie Kamerstukken II 1996-1997, 25403, nr. 3, p. 88, en Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, 4e druk, p. 418). De in art. 126dd opgenomen regeling voorziet in een uitzondering op de in art. 126cc lid 2 Sv opgenomen plicht tot vernietiging voor de in dit artikel bedoelde - door bijzondere opsporingsbevoegdheden verkregen - gegevens. Art. 126dd Sv is niet bedoeld om de bruikbaarheid van verkregen gegevens te beperken, maar om vast te leggen dat en wanneer gegevens die in een andere strafzaak zijn gebruikt moeten worden vernietigd (vgl. TK 1996-1997, 25403, nr. 3, p. 88). Noch in dit artikel noch in de wetsgeschiedenis van deze bepaling is te vinden dat de Officier van Justitie vooraf of achteraf toestemming moet geven voor het gebruik van deze gegevens. Het Hof heeft het beroep op het bepaalde in art. 126dd Sv dus terecht afgewezen, wat het Hof te dien aanzien dan ook heeft overwogen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5f82003647c664c452abe85b151c01f5702f54bd708290b0259e24aafdcc987e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5f82003647c664c452abe85b151c01f5702f54bd708290b0259e24aafdcc987e, en de alinea staat in dat document op bytes 16821 tot 17989.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/5f82003647c664c452abe85b151c01f5702f54bd708290b0259e24aafdcc987e | shasum -a 256