Citaat | Parket bij de Hoge Raad 20 juni 2003
Alinea 68 Parket bij de Hoge Raad 20 juni 2003
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 20 juni 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF6200.
9. Het onderdeel faalt. Het oordeel van de Rechtbank, dat berust op een aan haar als feitenrechter voorbehouden waardering van vaststaande feiten en omstandigheden, is niet onbegrijpelijk. De Rechtbank heeft vastgesteld dat [A] zich dient te houden aan strenge voorschriften op het gebied van hygiëne en procesorganisatie. Voorts is tussen partijen onbestreden dat de door [A] voorgeschreven huisregels strekken tot uitvoering van die voorschriften en dat [A] dus belang heeft bij naleving van haar huisregels. Tegen deze achtergrond is niet onbegrijpelijk dat de omstandigheid dat tussen de geconstateerde overtredingen van de huisregels door [eiser] enige tijd is verstreken, de Rechtbank niet heeft weerhouden van haar oordeel dat de overtreding op 8 maart 1999 van de huisregels van [A], gelet op de voorgeschiedenis en de voorafgaande waarschuwingen, het gewicht van een dringende reden heeft gekregen. Dat de Rechtbank zich ook door de brief van 24 december 1998 niet van haar oordeel heeft laten weerhouden, is evenmin onbegrijpelijk: zij heeft in die brief kennelijk niet gelezen dat [eiser] zonder meer bereid was zich voortaan wèl aan de huisregels te houden. Dat is niet onbegrijpelijk: de brief verbindt aan die bereidheid voorwaarden en de verklaring van [eiser] dat hij "in principe de pauzevoorschriften nakomt" stemt niet overeen met zijn eerdere uitlatingen tijdens het gesprek op 9 november 1998 en in zijn brief van 16 november 1998 en strookt ook niet met zijn eerdere gedrag. Dat en waarom het onderscheid dat door [A] in de brief van 2 december 1998 zou zijn gemaakt tussen het schenden van de pauzeregels en het schofferen van de werkgever de beslissing van de Rechtbank onbegrijpelijk maakt, valt niet in te zien en wordt door het middel ook niet duidelijk gemaakt. Overigens blijkt uit het bestreden vonnis niet dat de Rechtbank de door [A] als ongepast ervaren toon waarop [eiser] zich in het gesprek van 9 november 1998 zou hebben uitgelaten, heeft laten meewegen in haar oordeel dat [A] zich op het standpunt heeft mogen stellen dat voor haar de maat vol was; de Rechtbank heeft slechts acht geslagen op de strekking van die uitlatingen, zulks in verband met de vraag of [eiser] mocht aannemen dat een derde 'officiële' waarschuwing nog in de rede lag. Uit het bestreden vonnis blijkt niet dat de Rechtbank de context waarin [eiser] de woorden "jullie doen maar" op de ochtend van 8 maart 1999 heeft gebezigd zou hebben miskend. Voor zover het onderdeel wil betogen dat de uitlating door [eiser] niet werkelijk gemeend was, berust het op een novum in cassatie, zodat de Rechtbank niet kan worden verweten daarmee geen rekening te hebben gehouden. De door het middel aangevoerde omstandigheid dat [eiser] op 8 maart 1999 zich niet bewust zou zijn geweest dat, ook al had hij geen pauze, in de kantine, op de binnenplaats en bij de personeelsingang niet mocht worden gerookt, is door de Rechtbank kennelijk niet aannemelijk geacht. Zij heeft immers vastgesteld dat uit de huisregels voortvloeit dat de pauze- en rooktijden rechtstreeks met elkaar zijn verbonden, in die zin dat slechts in de pauzetijden mag worden gerookt (r.o. 4.2).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e5366e1f85fb55458ae58581ad4692e1b10d308832606c392ba6de5e07648d09. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e5366e1f85fb55458ae58581ad4692e1b10d308832606c392ba6de5e07648d09, en de alinea staat in dat document op bytes 17983 tot 21160.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/e5366e1f85fb55458ae58581ad4692e1b10d308832606c392ba6de5e07648d09 | shasum -a 256