Citaat | Parket bij de Hoge Raad 20 juni 2003

Alinea 37 Parket bij de Hoge Raad 20 juni 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 20 juni 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF6207.

Ik noem die vraag interessant, (ook) omdat het antwoord onmiddellijk verband houdt met het dilemma, zoals dat met het eerder aan Veegens ontleende citaat werd geïllustreerd. Neemt men aan dat het begrip "bedrog" in dit verband ruim moet worden uitgelegd(12), dan is er een navenant brede marge om de juistheid van in gewijsde gegane beslissingen opnieuw ter discussie te stellen. Men moet de breedte van die marge niet onderschatten: het is aan procederen inherent dat men van de argumenten die voor het eigen standpunt pleiten geen neutraal en afgewogen beeld geeft, maar een eenzijdig en gekleurd beeld(13). Een dergelijke presentatie - die, als gezegd, haast onlosmakelijk met het procederen verbonden is - kan bij ruime uitleg van die kwalificaties, al gauw als onjuist of als misleidend worden beoordeeld. Doet men dat, en is men tevens bereid de kwalificatie van "bedrog" daaraan te verbinden, dan heeft men de ruimte voor heropening van het processuele debat zodanig opgerekt dat het "lites finiri oportet" eerder uitzondering dan regel zou kunnen worden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/74a1eb565738c364a023e02277603e6326ec9422b25649f812d7cbba023f760c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 74a1eb565738c364a023e02277603e6326ec9422b25649f812d7cbba023f760c, en de alinea staat in dat document op bytes 14477 tot 15553.