Citaat | Parket bij de Hoge Raad 27 mei 2003

Alinea 22 Parket bij de Hoge Raad 27 mei 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 27 mei 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF6551.

3.4 De steller van het middel voert aan dat afwijzing van een verzoek een getuige te horen op grond van art. 288, eerste lid, aanhef en onder b, Sv, slechts mogelijk is indien er sprake is van een gegrond vermoeden van ernstige gezondheidsschade. Genoemd rapport zou onvoldoende onderbouwing vormen voor een gegrond vermoeden van ernstige gezondheidsschade. Het afleggen van een verklaring zou voor veel mensen geen pretje zijn. Uw Raad zou volgens de steller van het middel in de beoordeling dienen te betrekken dat (1) de getuige geen slachtoffer is van bijvoorbeeld een ernstig gewelds- of zedendelict, (2) de getuige is opgeroepen in een zaak die gaat om wisseltransacties, (3) het Gerechtshof zich niet heeft gebaseerd op een rapport van een onafhankelijk deskundige, en (4) de getuige ten tijde van het verzoek nog steeds werkzaam was bij [A].

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bc08b9f1edb812b251ae9f9568656b85eb0979cfd632a8a3c0233d4a4a21fcdf. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bc08b9f1edb812b251ae9f9568656b85eb0979cfd632a8a3c0233d4a4a21fcdf, en de alinea staat in dat document op bytes 11865 tot 12727.