Citaat | Parket bij de Hoge Raad 10 juni 2003

Alinea 115 Parket bij de Hoge Raad 10 juni 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 10 juni 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF6590.

5.3.4. Al met al is de accijnswetgeving niet gemakkelijk te doorgronden. Als er sprake is van accijnsfraude is het van groot belang om te weten op welk moment en waar accijnsproducten aan accijns worden onderworpen en waar die accijns verschuldigd wordt. Als de accijnsproducten buiten de Nederlandse heffing vallen komt art. 5 Wet op de accijns niet in beeld. De Wet op de accijns moet worden uitgelegd tegen de achtergrond van de Richtlijn. De Richtlijn heeft immers tot doel om normen vast te stellen betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop, welke normen door de Lid-Staten vanaf 1 januari 1993 ten uitvoer moeten worden gelegd, zodat de verschuldigdheid van accijns in alle Lid-Staten uniform wordt geregeld. De Wet op de accijns is gewijzigd bij wet van 24 december 1992 (Stb. 711) teneinde tot omzetting van de Richtlijn binnen de nationale rechtsorde te geraken. Over bepaalde onderdelen van de Richtlijn heeft het Hof van Justitie zich al uitgelaten. In de eerste plaats wijs ik op het arrest van 11 juli 2002, C-371/99 (Liberexim) betreffende een BTW-kwestie. Het betrof partijen melkpoeder die vanuit Litouwen het grondgebied van de EU waren binnengebracht. Bij aankomst binnen de EU waren de partijen onder douanetoezicht geplaatst. Het melkpoeder was bestemd voor Portugal. In Duitsland werden evenwel de opleggers met lading losgekoppeld van de trekker en door een Nederlandse trekker naar Nederland gebracht. De vraag rees of het melkpoeder in Duitsland of in Nederland aan het douanetoezicht was onttrokken. De Hoge Raad zag aanleiding prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie. Het Hof van Justitie stelde vast dat invoer van goederen aan BTW onderworpen is en dat 'invoer' nader wordt omschreven in art. 7 Zesde Richtlijn. Die bepaling houdt onder meer in dat goederen die bij binnenkomst voor tijdelijke invoer in de Gemeenschap onder douanecontrole komen in dat land worden ingevoerd waar zij aan die controle worden onttrokken. Voor het vaststellen van het tijdstip en de plaats van het ontstaan van de douaneschuld (invoerrechten) greep het Hof terug naar art. 2 van Verordening 2144/87 (inmiddels afgeschaft), dat een vergelijkbare inhoud had als art. 7 Zesde Richtlijn. Het Hof overwoog:

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fe1e5a30f923e8be8138aabc5417963c7c234bd1d6d6ec685d2ad749c3dccc9c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fe1e5a30f923e8be8138aabc5417963c7c234bd1d6d6ec685d2ad749c3dccc9c, en de alinea staat in dat document op bytes 32641 tot 34963.