Citaat | Parket bij de Hoge Raad 3 juni 2003

Alinea 25 Parket bij de Hoge Raad 3 juni 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 3 juni 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF6594.

3.3.2. Art.191 tweede lid onder b, Rv. houdt in dat zij die tot geheimhouding verplicht zijn uit hoofde van hun ambt, beroep of betrekking, zich kunnen verschonen van de verplichting tot het afleggen van getuigenis omtrent hetgeen hun in die hoedanigheid is toevertrouwd. Tot die geheimhouders behoort, naar de Hoge Raad sinds lang aanneemt, de behandelende arts: uit de eisen van diens beroep vloeit voort dat hij jegens zijn patiënt tot geheimhouding verplicht is (HR 21 april 1913, NJ 1913, blz. 958). Naar thans volgt uit hetgeen is bepaald in art. 88 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, in werking getreden op 1 december 1995 (Stb. 1993, 655, hierna: de Wet BIG), is de arts verplicht geheimhouding in acht te nemen ten opzichte van al datgene wat hem bij het uitoefenen van zijn beroep op het gebied van de individuele gezondheidszorg als geheim is toevertrouwd of wat daarbij als geheim te zijner kennis is gekomen of wat daarbij te zijner kennis is gekomen en waarvan hij het vertrouwelijk karakter moest begrijpen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c19c95df95db98415e8d6ad8eab3721ebaf929e9d5407633b2ff7ce0b8fc9ab0. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c19c95df95db98415e8d6ad8eab3721ebaf929e9d5407633b2ff7ce0b8fc9ab0, en de alinea staat in dat document op bytes 12685 tot 13747.