Citaat | Parket bij de Hoge Raad 3 juni 2003

Alinea 37 Parket bij de Hoge Raad 3 juni 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 3 juni 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF6594.

4.1. Het eerste middel komt op tegen de beslissing van de rechtbank dat art. 96a Sv geen motivering verlangt. Dat oordeel is volgens de steller onjuist gelet op de omstandigheid dat het gaat om een bevel tot uitlevering van journalistiek materiaal, gericht tot een rechtspersoon die binnen zekere grenzen een beroep op een verschoningsrecht kan doen. Via art. 18 WED komt het middel aan bij art. 5:13 AWB volgens welker memorie van toelichting de toezichthouder die een bevoegdheid wil uitoefenen verplicht is de betrokkene de reden van de bevoegdheidsuitoefening mede te delen. Het standpunt dat de rechtbank heeft ingenomen zou er volgens de steller van het middel toe leiden dat journalisten nooit tevoren zullen kunnen afwegen of hun verschoningsrecht in het geding is en dat zij slechts op rechtsbescherming achteraf zullen kunnen vertrouwen. Het middel doet nog een beroep op het arrest van het EHRM van 16 april 2002 in de zaak Colas Est en concludeert uiteindelijk dat de toetsingswijze van het uitoefenen van bestuursrechtelijke bevoegdheden ook voor de uitoefening van strafvorderlijke bevoegdheden heeft te gelden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c19c95df95db98415e8d6ad8eab3721ebaf929e9d5407633b2ff7ce0b8fc9ab0. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c19c95df95db98415e8d6ad8eab3721ebaf929e9d5407633b2ff7ce0b8fc9ab0, en de alinea staat in dat document op bytes 16881 tot 18019.