Citaat | Parket bij de Hoge Raad 3 juni 2003

Alinea 78 Parket bij de Hoge Raad 3 juni 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 3 juni 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF6594.

5.2. Ik kan het standpunt van de steller van het middel niet onderschrijven. Bronbescherming is door het EHRM in de zaak Goodwin en door de Hoge Raad in de zaak [A] aldus omschreven dat bronnen die vertrouwelijke informatie aan de pers doen toekomen erop mogen rekenen dat, wanneer anderen trachten achter hun identiteit te komen om hen voor die informatieverschaffing aan te kunnen spreken, hun identiteit niet wordt prijsgegeven tenzij aan de voorwaarden van art. 10 lid 2 EVRM is voldaan. Het doel van het navorsen van de identiteit van de bron en de aard van de door de bron gegeven informatie hangen dus wel degelijk samen. Aan te nemen valt toch dat de deelnemers vertrouwelijkheid hebben bedongen tegenover de journalisten met het oog juist op het deelnemen aan een illegale straatrace en om te voorkomen dat zij voor die deelneming strafrechtelijk zouden worden aangepakt. Ik zou dus nog verder durven gaan dan de rechtbank deed en hier durven stellen dat het beginsel van bronbescherming hier niet ten tonele kan worden gevoerd, omdat voor dat beginsel hier geen rol is weggelegd mits men de bronbescherming maar verstaat in de zin zoals aangegeven door het EHRM en de Hoge Raad.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c19c95df95db98415e8d6ad8eab3721ebaf929e9d5407633b2ff7ce0b8fc9ab0. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c19c95df95db98415e8d6ad8eab3721ebaf929e9d5407633b2ff7ce0b8fc9ab0, en de alinea staat in dat document op bytes 43822 tot 45023.