Citaat | Parket bij de Hoge Raad 3 juni 2003

Alinea 34 Parket bij de Hoge Raad 3 juni 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 3 juni 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF6983.

22. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat art. 3:316, eerste lid, BW ruim moet worden uitgelegd. Tevens wordt daarin benadrukt dat het moet gaan om het instellen van een eis in rechte (Parlementaire geschiedenis Boek 3, p. 932 e.v.). Dit laatste ligt geheel in lijn met het buiten toepassing blijven van art. 3:317 BW. Asser-Hartkamp noemen onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis als voorbeelden van "het instellen van een eis, alsmede iedere andere daad van rechtsvervolging van de zijde van de gerechtigde" onder meer een dagvaarding, het uitlokken van een arbitrale beslissing, een eis in reconventie, de indiening van een vordering ter verificatie in een faillissement en beslaglegging (Asser-Hartkamp 4-I, p. 609-610). Daaraan voegen Linssen/Van Schaik nog toe het zich als benadeelde partij voegen in het strafproces op de voet van (thans) art. 51a Sv e.v. (in Van Nieuw BW naar BW, 1993, p. 92).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0faa53cbf14fd2d56d2e1ff46b16d5c35c531a911c449014694091757cc9c9f4. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0faa53cbf14fd2d56d2e1ff46b16d5c35c531a911c449014694091757cc9c9f4, en de alinea staat in dat document op bytes 13167 tot 14092.