Citaat | Parket bij de Hoge Raad 11 juli 2003

Alinea 108 Parket bij de Hoge Raad 11 juli 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 11 juli 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF7004.

20 Ik merk in dit verband op dat de wetgever, blijkens de Parlementaire Geschiedenis t.a.p., van de wettelijke regeling van het boetebeding heeft willen afwijken. Dat is echter niet daarom gedaan omdat incassobedingen, anders dan "gewone" boetebedingen, als persé onredelijk of verwerpelijk werden aangemerkt, maar uit overweging dat incassobedingen een "gemengd" karakter hebben waarvan het poenale aspect maar een deel is, en (vooral) uit overweging dat er, gezien de grote aantallen verstek-incasso's, behoefte bestond aan de mogelijkheid van ambtshalve matiging - waarin de algemene regel van art 6:94 BW niet voorziet. Anders dan Burgerlijke Rechtsvordering (losbl., oud), Asser, art. 57ab, aant. 1, meen ik dan ook dat de wetgever er niet van uit is gegaan dat incassobedingen eerder als proceskostenbedingen dan als boetebedingen zijn aan te merken. De wetgever is zich daarentegen van de "gemengde" aard van veel incassobedingen bewust geweest, en heeft mede daarom aanleiding gezien voor een bijzonder regel. Daarmee is (dus) niet gegeven dat de wet zich - impliciet - zou verzetten tegen incassobedingen die mede een poenaal effect beogen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8096283dbccd3f7e3959a1facaad51dacf1ca5630efd366c554996ffef6c921d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8096283dbccd3f7e3959a1facaad51dacf1ca5630efd366c554996ffef6c921d, en de alinea staat in dat document op bytes 52648 tot 53811.