Citaat | Parket bij de Hoge Raad 11 juli 2003
Alinea 66 Parket bij de Hoge Raad 11 juli 2003
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 11 juli 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF7004.
Contractuele incassobedingen mogen niet - door toepassing van rigoureuze matiging - terzijde worden gesteld op de enkele grond dat de crediteur niet stelt of aantoont dat er daadwerkelijk (in dit concrete geval verrichte) werkzaamheden voor zijn rekening zijn gekomen die niet onder de gebruikelijke proceskostenveroordeling zijn begrepen. Ook waar de crediteur dat niet stelt of aantoont, is immers niet zonder meer gegeven dat het betreffende beding niet aan de redelijkheid beantwoordt - bijvoorbeeld omdat het voorziet in een legitieme "aanvulling" van proceskosten of pre-processuele kosten, die bij gebreke van die aanvulling voor rekening van de crediteur zouden blijven, of omdat het een legitieme rol speelt als aansporing (prikkel), of combinaties van beide. Per saldo moet de rechter aan de hand van de redelijkheid(stoets) beoordelen of hij matiging wil toepassen (en hoever hij daarin meent te moeten gaan); terwijl het arrest HR 28 januari 2000, NJ 2000, 256 laat blijken dat het oordeel waartoe de rechter dan komt ook een draagkrachtige motivering behoeft.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8096283dbccd3f7e3959a1facaad51dacf1ca5630efd366c554996ffef6c921d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8096283dbccd3f7e3959a1facaad51dacf1ca5630efd366c554996ffef6c921d, en de alinea staat in dat document op bytes 31458 tot 32544.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/8096283dbccd3f7e3959a1facaad51dacf1ca5630efd366c554996ffef6c921d | shasum -a 256