Citaat | Parket bij de Hoge Raad 11 juli 2003

Alinea 28 Parket bij de Hoge Raad 11 juli 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 11 juli 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF7423.

Wanneer vergoeding van buitengerechtelijke kosten wordt gevorderd, gaat het niet primair om een wettelijke verplichting tot vergoeding van die kosten zelf, maar om een wettelijke verplichting tot vergoeding van schade in verband waarmee die kosten zijn gemaakt. Dit blijkt reeds uit de aanhef van art. 6:96 lid 2 BW, bepalende dat als vermogensschade "mede" voor vergoeding in aanmerking komen de sub a-c genoemde kosten. Het betreft derhalve een aantal bijzondere kosten- c.q. schadeposten naast en in aanvulling op andere schade (die de primaire schade zou kunnen worden genoemd). Vgl. in dezelfde zin S.D. Lindenbergh, Buitengerechtelije kosten; grondslag en betekenis daarvan, in: Buitengerechtelijke kosten. Vijf visies op de redelijkheid, p. 16, die opmerkt dat het bij buitengerechtelijke kosten om een bijkomend type schade gaat.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e439bf87e48df9474b32d476d090afd34724d35c0069531396cc8ef8fd8351cc. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e439bf87e48df9474b32d476d090afd34724d35c0069531396cc8ef8fd8351cc, en de alinea staat in dat document op bytes 12596 tot 13447.