Citaat | Parket bij de Hoge Raad 27 juni 2003
Alinea 23 Parket bij de Hoge Raad 27 juni 2003
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 27 juni 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF7541.
7. Het volgende moet worden vooropgesteld bij de beoordeling van het middel, dat evenals Rechtbank en Hof in navolging van partijen uitgaat van de bevoegdheid van de Nederlandse rechter alsmede van de toepasselijkheid van Nederlands recht. Art. 1:100 lid 1 BW bepaalt dat de echtgenoten een gelijk aandeel hebben in de ontbonden huwelijksgemeenschap tenzij anders is bepaald bij huwelijkse voorwaarden of bij een overeenkomst die tussen echtgenoten bij geschrift is gesloten met het oog op de aanstaande ontbinding der gemeenschap anders dan door de dood of bij huwelijkse voorwaarden. Weliswaar is niet geheel uitgesloten dat van de uit deze bepaling voortvloeiende regel dat de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap bij helfte wordt verdeeld, wordt afgeweken op de grond dat onverkorte toepassing daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, doch voor een zodanige afwijking kan - zoals het Hof terecht tot uitgangspunt koos - slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden plaats zijn: zie HR 7 december 1990, NJ 1991, m.nt EAAL en HR 6 oktober 2000, RvdW 2000, 199. Zodanige zeer uitzonderlijke omstandigheden deden zich voor in eerstgenoemde "macabere zaak die sterk de aandacht heeft getrokken" (aldus de annotator). In deze zaak ging het om een verpleger die met een meer dan dertig jaar oudere, door hem verzorgde, hulpbehoevende, vermogende vrouw in gemeenschap van goederen huwde uitsluitend om zich van haar vermogen meester te maken, waarna hij haar binnen vijf weken na de huwelijkssluiting - naar vooropgezet plan - van het leven beroofde. Na te hebben vooropgesteld dat het Hof terecht ervan was uitgegaan dat een afwijking van het bepaalde in art. 1:100 lid 1 BW slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden kan worden aangenomen, overwoog Uw Raad dat het Hof terecht tot het oordeel was gekomen dat in de gegeven omstandigheden onverkorte toepassing van de geldende regel van verdeling bij helfte naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. De beslissing om aan de man zijn aanspraak op de gemeenschap te ontzeggen wordt door annotator Luijten in verband gebracht met de rechtsfiguur van de "onwaardigheid" die in het huwelijksgoederenrecht - anders dan in het erfrecht - niet wettelijk is geregeld. Dat het enkele (oogmerk van) bedrog tussen echtgenoten op zichzelf geen toereikende grond is voor afwijking van de hoofdregel van art. 1:100 lid 1 BW kan worden afgeleid uit het arrest van Uw Raad van 6 oktober 2000. In die zaak had de vrouw voor haar aanstaande echtgenoot, met wie zij in gemeenschap van goederen huwde, verzwegen dat zij een spaartegoed bezat dat zij kort voor het huwelijk en uitsluitend met het oog op dat huwelijk - onverplicht - aan haar moeder had afgedragen. Uw Raad overwoog dat deze omstandigheden op zichzelf noch in samenhang met de omstandigheid dat het onbelaste woonhuis van de man in de gemeenschap zou vallen, onvoldoende grond vormen voor een op de redelijkheid en billijkheid gebaseerde verplichting van de vrouw om vóór het huwelijk aan de man mededeling te doen van de plaatsgevonden hebbende vermindering als door het Hof aangenomen. Uw Raad concludeerde dat reeds daarom geen stand kon houden de slotsom waartoe het Hof, uitgaande van het bestaan van een zodanige verplichting, was gekomen, te weten dat het tekortschieten van de vrouw in bedoelde verplichting een zo uitzonderlijke omstandigheid opleverde dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was dat de vrouw zich jegens de man beriep op een verdeling bij helfte van de ontbonden huwelijksgemeenschap en dat aan de man een vordering op de gemeenschap moest worden toegekend ten belope van het litigieuze spaartegoed. Ik verwijs hier ook nog naar het - kritisch ontvangen - arrest van 19 maart 1993, NJ 1994, m.nt. JCS, dat een geval betrof dat zich afspeelde in een "internationale setting". Uw Raad stelde voorop dat het huwelijksvermogensregime van partijen in die zaak naar de regels van Nederlands internationaal privaatrecht werd beheerst door Nederlands recht, zodat partijen - nu zij geen huwelijkse voorwaarden hadden gemaakt - in algehele gemeenschap van goederen waren gehuwd. Tegen de achtergrond van de onzekerheid die destijds in het Nederlandse internationaal privaatrecht bestond, oordeelde Uw Raad het vervolgens naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat de man zich op het standpunt stelde dat de scheiding en deling diende plaats te vinden op basis van het uitgangspunt dat partijen in algehele gemeenschap van goederen waren gehuwd; dit, omdat partijen zich gedurende een lange reeks van jaren steeds en consequent hadden gedragen naar het uitgangspunt dat hun huwelijksgoederenregime werd beheerst door Rodesisch recht en dat zij mitsdien waren gehuwd buiten gemeenschap van goederen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0df237ab50f461deb67bc2b3e6830d0acd53bb84dc5e1432d7987427d998790e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0df237ab50f461deb67bc2b3e6830d0acd53bb84dc5e1432d7987427d998790e, en de alinea staat in dat document op bytes 15672 tot 20525.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/0df237ab50f461deb67bc2b3e6830d0acd53bb84dc5e1432d7987427d998790e | shasum -a 256