Citaat | Parket bij de Hoge Raad 27 juni 2003
Alinea 24 Parket bij de Hoge Raad 27 juni 2003
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 27 juni 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF7541.
8. In de onderhavige zaak wordt, althans in cassatie, betoogd dat de omstandigheid dat tussen partijen vóór het huwelijk overeenstemming bestond over het maken van (enige vorm van) huwelijkse voorwaarden - een afspraak die volgens het middel moet worden gekwalificeerd als voorovereenkomst - meebrengt dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid de aanspraken van de vrouw op toedeling van de helft van de huwelijksgoederengemeenschap moeten worden beperkt tot de omvang die correspondeert met de beperkte gemeenschap die partijen voornemens waren aan te gaan. Dit betoog faalt naar mijn oordeel reeds omdat de omstandigheid dat partijen het erover eens waren dat na de huwelijkssluiting huwelijkse voorwaarden moesten worden opgemaakt op zichzelf noch in samenhang met de overige gestelde omstandigheden zoals de omvang van het vermogen van de man, een zeer uitzonderlijke situatie oplevert waarin toepassing van de wettelijke verdelingsmaatstaf naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Het Hof heeft ook aldus geoordeeld. Het Hof heeft immers - in rechtsoverweging 3.2 - vooropgesteld dat de man heeft aangevoerd dat de zeer bijzondere omstandigheden die maken dat moet worden afgeweken van het uitgangspunt dat de huwelijksgemeenschap bij helfte moet worden verdeeld, zijn gelegen in de omvang van zijn vermogen en in de omstandigheid dat tussen hem en de vrouw overeenstemming bestond over het opstellen van (enige vorm van) huwelijkse voorwaarden na de sluiting van het huwelijk, om vervolgens - in rechtsoverweging 3.3 - te oordelen dat de door de man aangevoerde omstandigheden geen zeer uitzonderlijke omstandigheden vormen die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid aanleiding geven tot afwijking van het uitgangspunt dat de ontbonden gemeenschap bij helfte moet worden verdeeld. Het Hof heeft aldus de stelling van de man dat partijen het erover eens waren dat na de huwelijkssluiting huwelijkse voorwaarden moesten worden opgesteld, niet buiten behandeling gelaten, zoals het middel lijkt te willen suggereren, en het heeft evenmin geoordeeld dat de man deze stelling onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Het Hof heeft in rechtsoverweging 3.3, gelezen in samenhang met rechtsoverweging 3.2, geoordeeld dat ook ingeval tussen partijen bedoelde overeenstemming bestond, van een afwijking van verdeling bij helfte geen sprake kon zijn; daaraan doet niet af dat het Hof in rechtsoverweging 3.3 de stelling van de man aldus samenvat dat het overweegt dat de man aanvoert dat "hij in de veronderstelling verkeerde dat de vrouw alsnog aan huwelijkse voorwaarden zou meewerken". Het Hof is tot de slotsom gekomen dat het door de man gedane bewijsaanbod, dat - gezien de inhoud van dat aanbod - betrekking had op het bestaan van bedoelde overeenstemming, als niet ter zake dienende kon worden gepasseerd. Het Hof heeft aldus niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Op het voorgaande stuit het middel in zijn geheel af nu het in al zijn onderdelen strekt ten betoge dat de omstandigheid dat tussen de man en de vrouw overeenstemming bestond over het opstellen van huwelijkse voorwaarden na de huwelijkssluiting een afwijking van verdeling bij helfte rechtvaardigt en dat betoog berust op een onjuiste rechtsopvatting.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0df237ab50f461deb67bc2b3e6830d0acd53bb84dc5e1432d7987427d998790e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0df237ab50f461deb67bc2b3e6830d0acd53bb84dc5e1432d7987427d998790e, en de alinea staat in dat document op bytes 20545 tot 23842.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/0df237ab50f461deb67bc2b3e6830d0acd53bb84dc5e1432d7987427d998790e | shasum -a 256