Citaat | Parket bij de Hoge Raad 24 oktober 2003

Alinea 120 Parket bij de Hoge Raad 24 oktober 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 24 oktober 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF7557.

3.11. Bij de regeling van artikel 20a, lid 6, onderdeel i, Wet IB 1964, en de artikelen 25, lid 6, en 26, lid 2, Invorderingswet, in onderlinge samenhang beschouwd, is dit evenwel anders. Die regeling strekt in essentie ertoe een opeisbare belastingvordering te doen ontstaan indien en zodra de geëmigreerde aanmerkelijk-belanghouder zich van zijn aandelen ontdoet, en dan nog alleen indien deze vervreemding plaatsvindt binnen tien jaren na vertrek. Het verschil met een regeling waarin de vervreemding van de aandelen als het belastbare feit wordt aangewezen en de aanslag eerst nà die gebeurtenis wordt vastgesteld, is niet wezenlijk(26). Slechts het zekerheidsrecht dat verbonden kan worden aan het uitstel van betaling, ontbreekt in laatstbedoelde vormgeving. Goed beschouwd knoopt de exitheffing aan bij het feit van de vervreemding van de aandelen, en is er vóór die tijd sprake van een louter conservatoire fase waarin de mogelijke rechten van de fiscus worden veiliggesteld.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/16aca87fe534971a75fa9d161af9334d736dd96c69db26eece75af14a1dca939. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 16aca87fe534971a75fa9d161af9334d736dd96c69db26eece75af14a1dca939, en de alinea staat in dat document op bytes 35036 tot 36036.