Citaat | Parket bij de Hoge Raad 11 juli 2003

Alinea 28 Parket bij de Hoge Raad 11 juli 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 11 juli 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF7679.

11) In de rechtspraak is dan ook aangenomen dat een derde die door een dreigende executie (van een vonnis waarbij hij dus geen partij is) in hem uit eigen hoofde toekomende rechten wordt benadeeld, daartegen in kort geding - en uiteraard ook ten gronde - kan opkomen(6). Dan gelden om voor de hand liggende redenen niet de restricties die wèl op hun plaats zijn als het gaat om een vordering tot schorsing of staking van de executie, die door een van de partijen bij het vonnis geldend wordt gemaakt. In dat laatste geval strekt de vordering er immers toe, de bindende kracht die het vonnis tussen partijen heeft te "ontkrachten", terwijl in het eerste geval die bindende kracht helemaal niet aan de orde is. De rechten die een derde geldend wenst te maken moeten gewoon worden beoordeeld zoals alle rechten die een partij ten opzichte van een andere partij inroept - het feit dat er een tussen (nog weer) andere partijen gewezen vonnis in het spel is, mag de eisende derde niet bekorten in het geldend maken van zijn rechten. Het is niet moeilijk in te zien, dat het aannemen van het tegendeel kras onrecht zou opleveren(7).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/565963119f9460007a28d918eefd0c8bec0efc34b4251c349711234ae399475a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 565963119f9460007a28d918eefd0c8bec0efc34b4251c349711234ae399475a, en de alinea staat in dat document op bytes 10552 tot 11692.