Citaat | Parket bij de Hoge Raad 11 juli 2003
Alinea 32 Parket bij de Hoge Raad 11 juli 2003
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 11 juli 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF7884.
9. Het voor de verschuldigdheid van wettelijke rente vereiste verzuim veronderstelt, zoals gezegd, dat de vordering opeisbaar is. Met betrekking tot de opeisbaarheid van een vordering tot schadevergoeding als de onderhavige geldt - zowel naar huidig recht als naar het hier toepasselijke oude recht - in beginsel dat de vordering opeisbaar is op het tijdstip waarop de schade is geleden, althans geacht moet worden te zijn geleden; niet is vereist dat het bedrag van de schade reeds vaststaat. (Zie Asser-Hartkamp I, 2000, nrs. 523, 415 en 419 en MvA II bij art. 6:119 (art. 6.1.9A.8), Parl. Gesch. Boek 6, p. 475). De vaststelling van het tijdstip waarop de schade geacht moet worden te zijn geleden levert bij letselschade, in het bijzonder bij toekomstige inkomensschade een complicatie op. (Strikt genomen kan beter worden gesproken van arbeidsvermogensschade, een begrip dat meer omvat dan het enkele begrip inkomensschade: zie hierover Bouman/Tilanus-van Wassenaer, Mon. Nieuw BW B37, tweede druk, nr. 27. In de onderhavige zaak wordt arbeidsvermogensschade gevorderd.) Deze inkomensschade kan immers worden gekwalificeerd als een doorlopende en ten tijde van het ongeval toekomstige schade, die steeds periodiek wordt geleden op het moment waarop inkomen zou zijn genoten ingeval geen ongeval zou hebben plaatsgevonden, doch deze schade zou ook kunnen worden gekwalificeerd als schade die de benadeelde aanstonds lijdt op het moment waarop het ongeval plaatsvindt aangezien op dat tijdstip aan de benadeelde de mogelijkheid wordt ontnomen om in de toekomst inkomen te verwerven. Akkermans, Preadvies voor de Vereniging van burgerlijk recht, 1998, p. 45 e.v. spreekt in dit verband van "het Januskop-concept" bij inkomensschade. Zie voor een overzicht van de diverse opvattingen Klaassen, Preadvies voor de Vereniging van burgerlijk recht, 1998, p. 3-4 en p. 14-17. Zie voorts de zeer uitvoerige conclusie van waarnemend A-G Bloembergen voor Uw meergenoemde arrest van 17 oktober 1997. Bloembergen benadrukt - onder verwijzing naar Schadevergoeding (Hartlief en Tjittes) aant. 30 op art. 97 en Schadevergoeding (Bolt) aant. 12 op art. 107 - dat (toekomstige) inkomensschade niet abstract maar concreet moet worden berekend, hetgeen kan geschieden door de schade vast te stellen op een bedrag ineens dan wel op een periodieke uitkering. Zie in dit verband ook Asser-Hartkamp I, 2000, nr. 421, die erop wijst dat de begroting van de inkomensschade op een gekapitaliseerd bedrag ineens niet is een abstracte wijze van schadevaststelling. Bloembergen citeert in zijn conclusie de passage uit de MvA II bij art. 6:119 (art. 6.1.9A.8) waarin wordt aangetekend dat de wijze waarop de schade wordt begroot, van groot belang kan zijn voor het antwoord op de vraag wanneer de schade geacht moet worden te zijn geleden. Wordt de schade vastgesteld op in concreto gemaakte kosten, dan zal men kunnen aannemen dat de opeisbaarheid pas ontstaat doordat de benadeelde deze kosten opeisbaar verschuldigd wordt; bij toekomstige schade zal het verschil maken of deze bij voorbaat wordt vastgesteld op een bedrag ineens dan wel aan de aansprakelijke persoon een uitkering wordt opgelegd waarvan de termijnen pas in de toekomst telkens opeisbaar worden. (MvA II, Parl. Gesch. Boek 6, p. 475.)
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4442b2a633cf724000b42f0c6daf90a3ed2b3592651bc554faff4bf9e4ba395d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4442b2a633cf724000b42f0c6daf90a3ed2b3592651bc554faff4bf9e4ba395d, en de alinea staat in dat document op bytes 23183 tot 26474.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/4442b2a633cf724000b42f0c6daf90a3ed2b3592651bc554faff4bf9e4ba395d | shasum -a 256