Citaat | Parket bij de Hoge Raad 11 juli 2003

Alinea 39 Parket bij de Hoge Raad 11 juli 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 11 juli 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF7884.

Bloembergen had in zijn conclusie betoogd dat vooral bij blijvend letsel onderscheid moet worden gemaakt tussen reeds geleden schade en toekomstige schade. Hij betoogde het alleszins aanvaardbaar te achten, ook voor het oude recht, te oordelen dat toekomstige schade geacht wordt te zijn geleden op het tijdstip van de rechterlijke uitspraak waarin die schade wordt vastgesteld op een bedrag ineens. Wat kan met toekomstige schade, kan - aldus Bloembergen - evenwel niet met inkomensschade die op het tijdstip van de uitspraak al (periodiek) is geleden; de rechter kan een optelsom maken van de schade die van maand tot maand (of van jaar tot jaar) is geleden en vervolgens deze schade in één bedrag toewijzen; hij kan evenwel, aldus nog steeds Bloembergen, niet achteraf wijzigingen aanbrengen in het tijdstip waarop de schade is geleden en waarop de rente is gaan lopen. Bloembergen wijst in dat verband erop dat het overgrote deel van de letselschades wordt afgewikkeld door een regeling van partijen, waarbij het voor de hand ligt dat partijen de schade regelen door een optelsom te maken van de reeds geleden schade en door de schade voor het overige te begroten op een gekapitaliseerd bedrag uitgaande van een peildatum die in de buurt ligt van het tijdstip van totstandkoming van de regeling, zij het dat het partijen uiteraard vrijstaat in onderling overleg een andere regeling te treffen of van een andere peildatum uit te gaan. Bloembergen verwijst in dat verband naar Bouman/Van Wassenaer van Catwijck, Mon. Nieuw BW B39, eerste druk, p. 70 e.v. (zie voor de inmiddels verschenen tweede druk van de hand van Bouman/Tilanus-van Wassenaer, nr. 33 onder d). Hij komt tot de slotsom dat inkomensschade als gevolg van letsel in beginsel wordt geleden op het tijdstip waarop de inkomsten zouden zijn genoten, dat het slachtoffer dit tijdstip niet kan vervroegen door een eenzijdige kapitalisatie en dat voor de op het tijdstip van de rechterlijke uitspraak toekomstige schade beslissend is of de rechter veroordeelt tot betaling van een bedrag ineens dan wel tot betaling van periodieke bedragen. Dit betoog is - zoals gezegd - door Uw Raad niet gevolgd voorzover het gaat om schade die ten tijde van de rechterlijke uitspraak reeds is geleden en derhalve niet meer toekomstig is. Zie voor kritiek daarop onder anderen Bouman/Tilanus-van Wassenaer, Mon. Nieuw BW B39, tweede druk, nr. 33 onder d en Bouman, "De ivoren raadkamer", VR 1998, p. 4 e.v., m.n. p. 6.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4442b2a633cf724000b42f0c6daf90a3ed2b3592651bc554faff4bf9e4ba395d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4442b2a633cf724000b42f0c6daf90a3ed2b3592651bc554faff4bf9e4ba395d, en de alinea staat in dat document op bytes 32509 tot 34989.