Citaat | Parket bij de Hoge Raad 12 september 2003
Alinea 93 Parket bij de Hoge Raad 12 september 2003
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 12 september 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF7885.
In de jurisprudentie is in een beperkt aantal gevallen een uitzondering op het beginsel toegelaten. Daaraan ligt ten grondslag dat de aan de toepassing van het beginsel verbonden bezwaren door bijkomende omstandigheden zo klemmend kunnen worden, dat een uitzondering moet worden aanvaard(46). Uitzonderingen zijn aangenomen in het geval dat het volgen van de administratiefrechtelijke weg niet van de justitiabele kon worden gevergd(47) en in het geval dat het overheidsorgaan en de burger het erover eens zijn dat het betrokken besluit onrechtmatig is (en de bestuursrechter om die reden niet is geadieerd)(48). Daarnaast geldt, dat geen formele rechtskracht toekomt aan fictieve weigeringen(49). Of er ruimte is voor uitzonderingen als de bestuursrechter over het betrokken besluit heeft geoordeeld, is echter op zijn minst twijfelachtig. Bloembergen merkt in zijn noot onder het hiervoor genoemde arrest van 28 mei 1999 op dat de formele rechtskracht van een besluit vanwege het niet benutten van daartegen door de wet geboden rechtsmiddelen ten opzichte van het volgens hem daarvan te onderscheiden "gezag van gewijsde" van een uitspraak van de bestuursrechter "een wat minder sterke binding (geeft), vooral omdat uitzonderingen mogelijk zijn" (onderstreping toegevoegd; LK). Als Bloembergen hiermee bedoelt dat uitzonderingen op de formele rechtskracht van een besluit slechts toelaatbaar zijn in het geval dat de justitiabele heeft nagelaten de daartegen door de wet geboden rechtsmiddelen aan te wenden (en niet in het geval dat die rechtsmiddelen tevergeefs zijn ingesteld), kan hem worden toegegeven dat de tot dusverre erkende uitzonderingen steeds met het ongebruikt laten van de (bestuursrechtelijke) rechtsgang samenhangen en dat de mogelijkheid van uitzonderingen zich overigens ook slecht verdraagt met een benadering volgens welke de rechtmatigheid van een besluit (al dan niet naar analogie van - thans - art. 236 lid 1 Rv) als uitvloeisel van de bindende kracht van een rechterlijke uitspraak moet worden aanvaard. Voorts wijs ik erop dat de (in de gebruikelijke weergave van de leer van de formele rechtskracht voorkomende) zinsnede "behoudens indien de daaraan verbonden bezwaren door bijkomende omstandigheden zo klemmend worden dat op dat beginsel een uitzondering moet worden aanvaard" (zie onder meer de hiervoor geciteerde rov. 3.6 van het arrest van 7 april 1995), in de (eveneens) hiervoor geciteerde rov. 3.4 van het arrest van 28 mei 1999 (over het geval dat het betrokken besluit tevergeefs bij de bestuursrechter is aangevochten) ontbreekt. Daar staat tegenover dat de woorden "in beginsel" in de tweede volzin van rov. 3.4 van dat arrest de burgerlijke rechter, ook voor het geval dat de bestuursrechter hem is voorgegaan, nog enige ruimte lijken te laten; als dit al de mogelijkheid van uitzonderingen op (wat de Hoge Raad ook hier noemt:) de formele rechtskracht van het betrokken besluit zou impliceren, meen ik echter dat die mogelijkheid een (uiterst) beperkte is.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/77cf16d2c5ad941ca9b461957cadbbef56143e6009693e87b5d22b35e01dd42b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 77cf16d2c5ad941ca9b461957cadbbef56143e6009693e87b5d22b35e01dd42b, en de alinea staat in dat document op bytes 49581 tot 52595.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/77cf16d2c5ad941ca9b461957cadbbef56143e6009693e87b5d22b35e01dd42b | shasum -a 256