Citaat | Parket bij de Hoge Raad 17 juni 2003

Alinea 41 Parket bij de Hoge Raad 17 juni 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 17 juni 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF7935.

17. Het aan het Hof gemaakte verwijt mist, dunkt mij, iedere grond. De redenering gaat er aan voorbij dat het openbaar ministerie nalatig is geweest. Kennelijk heeft de officier van justitie er niet bij stil gestaan dat de wijziging van de tenlastelegging, bestaande in het daarin (als een subsidiaire variant) opnemen van de op 30 juli 1996 afgegeven vergunning, meebracht dat dan ook een exemplaar van die vergunning bij de stukken gevoegd diende te worden. In een strafprocedure is het (anders dan in de media wel wordt aangenomen) aan de rechter om te bewijzen, maar het is de verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie om alle relevante stukken aan de rechter te presenteren. Indien door nalatigheid van het openbaar ministerie een cruciaal stuk ontbreekt kan de rechter zich het ontbrekende doen verschaffen, maar verplicht is hij daartoe niet. Het staat hem vrij de einduitspraak te geven die naar zijn inzicht uit de onvolledigheid van de stukken moet voortvloeien.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/eb49e52afea2696ce522ee285750b3f4e5173be74ec27914c477e1d11c293d9b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt eb49e52afea2696ce522ee285750b3f4e5173be74ec27914c477e1d11c293d9b, en de alinea staat in dat document op bytes 17593 tot 18586.