Citaat | Parket bij de Hoge Raad 14 oktober 2003

Alinea 37 Parket bij de Hoge Raad 14 oktober 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 14 oktober 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF8048.

20. Hier wordt, dunkt mij, miskend dat weliswaar de schatting van wederrechtelijk verkregen voordeel moet kunnen steunen op bewijsmiddelen in wettige vorm, maar dat de rechter overigens niet gebonden is aan de bewijsvoorschriften die in een strafzaak in acht genomen moeten worden. Daaruit vloeit voort dat de rechter bij de behandeling van een ontnemingsvordering de vrijheid heeft te bepalen dat van de verweerder in redelijkheid kan worden verlangd dat deze de feiten zichtbaar maakt die meebrengen dat een bepaalde conclusie niet uit de bewijsmiddelen mag worden getrokken, en ten bezware van de verweerder mee te wegen dat die feiten niet worden aangetoond.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/9cbf1f2fe81207d7df71592ecada12bcdd0441cbba5c29861e227dbc02e4b417. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 9cbf1f2fe81207d7df71592ecada12bcdd0441cbba5c29861e227dbc02e4b417, en de alinea staat in dat document op bytes 19995 tot 20670.