Citaat | Parket bij de Hoge Raad 2 mei 2003

Alinea 58 Parket bij de Hoge Raad 2 mei 2003

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 2 mei 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF8125.

De man heeft in de feitelijke instanties allereerst niet betwist dat hij tot nakoming van de overeenkomst is gehouden. De kantonrechter heeft daarnaast in zijn vonnis van 25 oktober 2000 geoordeeld dat partijen het er kennelijk over eens zijn dat de situatie waar de overeenkomst op betrekking heeft, namelijk de studie van de kinderen, nog steeds voortduurt. Tegen dat oordeel heeft de man geen grief gericht. Ten slotte zijn de door de vrouw gevorderde bedragen niet door de man ter discussie gesteld. In hoger beroep heeft hij slechts betoogd dat niet de vrouw, maar de kinderen inningsbevoegd zijn en dat de vrouw haar vordering had moeten instellen bij verzoekschrift.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/922b2d2f0790b63a80909f73fd854bbc3b54cff90997f40710a3f6f1c71b7794. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 922b2d2f0790b63a80909f73fd854bbc3b54cff90997f40710a3f6f1c71b7794, en de alinea staat in dat document op bytes 20512 tot 21199.